Gewasinfo spruiten

11 oktober 2011

Voortaan Spruitjesdag i.p.v. Prinsjesdag?

Hoe geef je aan een uitgelekte, teleurstellende troonrede een positieve draai? Precies, door er een koe, candygirls, Amaro en Nederlandse spruitjes aan toe te voegen natuurlijk! Dat is dan ook exact wat er vandaag in Den Haag gebeurde: de menigte werd verrast door deze gekke “cocktail” en kreeg o.a. gemarineerde spruitjes aangeboden met Hollandse vlaggetjes om het Nederlandse spruitjesseizoen feestelijk in te luiden.

‘Niks recessie’
Als tegenwicht voor de troonrede en de recessieperikelen is er vanaf nu weer gelukkig de jaarlijkse hausse aan Green Balls of Fire, oftewel de Nederlandse spruitjes.
Om dit contrast te benadrukken werd vóór, tijdens en na de welbekende activiteiten rondom het Binnenhof het massaal toegestroomde publiek verrast door Helena de koe, geflankeerd door een paar pittige candygirls. In plaats van de Gouden Koets hadden zij een ijzeren koets (kruiwagen!) mee, gevuld met verse groene spruitjes welke werden uitgedeeld. Uiteraard kon er ook van gemarineerde spruitjes geproefd worden, heerlijk bereid door de spraakmakende chef-kok Amaro. En zo werd Prinsjesdag meer een Spruitjesdag.
 
‘Social Media’
Deze ludieke actie was het startschot voor het spruitjesseizoen 2011-2012. Om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes kunt u Green Balls of Fire volgen via Twitter, Facebook en uiteraard de website: www.greenballsoffire.nl
 
Green Balls of Fire is de promotiecampagne voor Nederlandse spruitjes uitgewerkt door Aceera in opdracht van de Landelijke Kerngroep Spruitkool van LTO Vollegrondsgroente.net met financiering van Productschap Tuinbouw.
Ronnie de Hoon
 
 
Kwaliteit spruiten kan beter
Het spruitenseizoen is officieel geopend op Prinsjesdag. De eerste spruiten waren er natuurlijk al eerder. De kwaliteit van de vroege spruiten laat echter soms wel te wensen over.
 
Wanneer de kwaliteit van de spruiten wat minder blijkt te zijn, vindt men vaak inwendig bruin,of spruiten die gemakkelijk valplekken vertonen. Verscheidene telers verwachten dat de mindere kwaliteit wordt veroorzaakt door het typische jaar.
 
In het begin van het jaar waren de weersomstandigheden gunstig voor het poten van spruiten. Vele telers waren dan ook goed bij in hun planning tot aan de droogte. De droogte werd namelijk al vrij snel extreem waardoor in met name de percelen langs de kuststreek er water aangevoerd moest worden.
 
Vermoed wordt dat door de droogte de planten vaak eerder over gingen in een generatieve groei. De aanleg van de spruiten werd dan ook vroeg gemaakt. Extremere verschillen in het weer konden we niet mee maken want later in het jaar was het water bijna niet af te voeren. Percelen liepen onder en spruiten gingen of dreigden van de wortel te gaan. Extra stikstofgiften waren nodig om de planten aan de gang te houden.
 
Het vele water veroorzaakte, ondanks bijbemesting, voor lage stikstofopnames. Het transport van elementen in de plant was ook vaak moeizaam. Met name 2 waardige elementen (Kalium, Magnesium, Calcium) zijn daardoor vaak beperkt naar de bovenste spruiten getransporteerd waardoor zwakke cellen ontstaan. De zwakte veroorzaakt een ingang voor schimmels en de gevoeligheid voor mechanische schade.
 
Of dit de daadwerkelijke achterliggende oorzaak is, is niet bekend. Maar dat het extreme weer zijn sporen achterlaat, daar is geen twijfel over.
 
Ronnie de Hoon
 
 
7 sept. 2011  Kwaliteit van spruiten loopt terug gedurende het seizoen
De kwaliteit van spruiten is vaak goed op het moment dat deze het erf verlaten. Maar deze blijkt niet het hele seizoen
hetzelfde te zijn. De kwaliteit van spruiten loopt gedurende het seizoen terug, zo blijkt uit de inventarisatie naar de kwaliteit in de keten.
 
In de periode van week 46 (2010) tot en met week 6 (2011) is de kwaliteit geïnventariseerd van witlof en spruiten in de afzetketen. Het project was aangevraagd door Vereniging Spruiten Vooruit en de Landelijke Kerngroep Spruiten om zo een onpartijdige weergave te kunnen maken over het kwaliteitsverloop in de keten. Immers, we kennen allen de horrorverhalen en beelden van bedroevend slechte spruiten in de winkel. Maar is dit altijd de oorzaak van de winkel of begint dit eerder in de keten? En willen we met één van de betreffende partijen tot verbeteringen komen, dan zullen we onafhankelijk deze kwaliteit en versheid in beeld moeten brengen.
 
Om deze reden is het project “ inventarisatie van de kwaliteit in de afzetketen” uitgevoerd met financiering door de sector via het Productschap Tuinbouw en vereniging Spruiten Vooruit. Projectleider LTO Vollegrondsgroente.net heeft in samenwerking met Str3tch en AQS de kwaliteit geïnventariseerd bij vier ketens. Mede door de afgesproken anonimiteit van de betrokken partijen werd volledige medewerking gegeven aan het project. Begeleid door een commissie met witloftelers, spruitentelers en frugiventa werd het project gevolgd en geanalyseerd.
 
Kwaliteit van spruiten loopt terug gedurende het seizoen
De typische wintergroente is goed bestand tegen de winterse weersomstandigheden. Maar onkrenkbaar is hij niet. Bij inventarisatie van de kwaliteit bij de handelshuizen en distributiecentra blijkt dat de kwaliteit in de loop van het seizoen al afneemt (zie grafieken). De doorstroming van de producten is bij handelshuizen en distributiecentra doorgaans zo snel, dat het kwaliteitsverlies alleen veroorzaakt kan zijn door veldomstandigheden. Vanaf week 50 scoorden de spruiten nog maar een 6 tot 6,5 op een schaal van 10. Een spruit die bij handelshuizen en distributiecentra een 6 scoren, kunnen uiteraard verder in de keten geen 7 meer worden. Een verbeterd product in het schap begint dus ook bij het veld.
 
Verpakte spruiten beter in kwaliteit
Uit de inventarisatie blijkt dat de kwaliteit van spruiten beter is/ blijft wanneer deze verpakt zijn in flowpack. Gemiddeld scoorde de kwaliteit van losse spruiten een 5,9. Spruiten in flowpack scoorden een 6,7. Het verschil wordt veroorzaakt door onder andere de geconditioneerde omstandigheden van de verpakking, maar ook door de standaard betere kwaliteit spruiten die in de verpakking worden gebruikt. Spruiten in flowpack zijn daarbij altijd volledig droog alvorens zij verpakt worden en men gebruikt vaak de A-sortering in flowpack. Ook bij witlof zag men een sterk effect van het verpakken: zodat en waardoor de consument het product minder beschadigd.
 
Producttemperatuur
AQS heeft tijdens zijn rondgangen ook gekeken naar de producttemperatuur in de gehele keten. Daaruit blijken grote verschillen te zijn tussen de winkels. Zo werden er temperaturen gevonden tussen de 4,3 graden Celsius en 14,5 graden Celsius. Ook zag men per winkel sterke schommelingen in de temperatuur van het product. Zo kan de temperatuur in de ene week 3,4 graden Celsius zijn en de andere week 12,7 graden Celsius. Nu kan het natuurlijk zijn dat de producten vers uit de koelcel kwamen, maar zelfs dan blijven er grote verschillen.
 
Terugkoppeling resultaten
De resultaten van het project zijn na de inventarisatie teruggekoppeld naar de deelnemende bedrijven. Opvallend was dat bij de retailers ruim tijd genomen werd om deze resultaten te bespreken. Dat terwijl het ‘slechts’ een enkel product in de winkel betreft. De besprekingen leidden ook tot verbetering. Zo was één keten structureel 1 tot 2 dagen langzamer in de logistieke aanlevering. Het bedrijf heeft dit concreet opgepakt en is bezig tot een aanpassing in het proces. Ook verpakking blijkt een overweging te worden bij enkele bedrijven. In hoeverre dit doorgevoerd wordt, zal moeten blijken.
Een consument wil immers vaak nog graag zelf zijn product uitzoeken.
 
Ronnie de Hoon
 
 
Plagen blijven onvoorspelbaar
 
Spruitentelers zijn het ondertussen wel gewend. Geen enkel jaar is hetzelfde. En geen enkel jaar laat zich voorspellen. Zo bleek ook wel dit jaar. Na extreme droogte kregen we extreem veel water. En ook de insecten laten zich niet voorspellen.
 
In de verscheidene winterbijeenkomsten werd al gewaarschuwd voor de koolmot en de vlieg. Immers, het middelenpakket is smaller geworden en we kunnen weleens problemen krijgen met het bestrijden hiervan. Tijdens tellingen dit jaar blijkt dit echter nog wel mee te vallen. Zowel de koolmot als de koolvlieg laten zich tot nu toe (begin augustus) nog maar weinig zien.
 
Trips daarentegen lijkt zich nu sterk te gaan ontwikkelen. Het kleine beestje laat zich dit jaar meer zien als voorgaande jaren. Daarbij moet in het bijzonder gewaakt worden voor de schadelijke tabakstrips. CZAV waarschuwt dan ook om tijdig te spuiten met Tracer. Zeker bij temperaturen boven de 20 graden Celsius. Onder de 20 graden Celsius kan een bestrijding met een pyrethroiden (bv. Decis) gebruikt worden. Ook Movento kan een kleine nevenwerking hebben tegen de trips. Echter moet men hier niet te veel van verwachten. Movento werkt namelijk wel op het larvestadium, maar niet op het volwassen insect. Een duurwerking mag men hier dan ook niet van verwachten. Een inzet van Movento voor trips wordt dan ook niet aanbevolen. Beter is deze in te zetten tegen de witte vlieg (twee bespuitingen) of de luis (één bespuiting voldoende).
 
Naast de plagen wordt er ook steeds meer echte meeldauw gevonden. Een tijdige inzet van een fungicide is dan ook raadzaam. Afgewisseld met Folio Gold wordt hier tevens een groeningseffect mee bereikt.
 
Een nieuw voorkomende bedreiging van andere aard: bacteriën. CZAV heeft onlangs bij enkele percelen Gustus een bacterie-aantasting gevonden. Een goede bestrijding hiervoor heeft men nog niet gevonden. Het behouden van een gezond gewas is dan ook voornaam als belangrijkste bestrijdingsmiddel tegen bacteriën.
 
Ronnie de Hoon
 
Extra Stikstof nodig na hevige regenval
 
In juli is er ongebruikelijk veel regen gevallen. Met name rond 14 en 15 juli gingen vele percelen gebukt onder hevige regenbuien. Menig perceel is verspoeld en sommige gewassen zijn zelfs niet meer oogstbaar (met name bloemkool en broccoli). Maar naast de directe gewasschade, heeft de spruitkoolteelt nog een probleem: denitrificatie.
 
Denitrificatie
Wanneer veel regen in een korte periode op kleigrond valt, verdwijnt N uit de bodem als gevolg van het denitrificatieproces. Denitrificatie treedt in de zomermaanden op na hevige regenval. In de bodem ontstaat een zuurstofloze situatie. Alle poriën zijn verzadigd met water. Denitrificerende bacteriën in de bodem gaan over op het denitrificatieproces. Zij gebruiken de O moleculen uit nitraat (NO3). Nitraat gaat over via NO2 naar NO naar N2. Het eindproduct is de luchtstikstof (N2). Binnen enkele uren is er nitraat uit de bodem verdwenen. Dit verlies loopt op tot 50 kg N/ha of meer. Deze stikstof is definitief weg. In gebieden met een laag organische stofgehalte is het mineralisatieproces onvoldoende om dit verlies te compenseren.
 
Extra Stikstof
Uit ervaring weten we dat een gift van ten minste 50 kg N/ha nodig is om het verlies aan te vullen. In samenwerking met het bedrijf Eijkpunt (Joke de Geus) zijn er op verschillende percelen monsters genomen om te onderzoeken of er sprake is van denitrificatie. Uit de monstername blijkt hier ook daadwerkelijk sprake van te zijn. Evenals in 2007 en 2009 zal LTO inzet plegen om bij de overheid de situatie aan te kaarten en te vragen voor extra stikstofruimte om zo de opgelopen schade te kunnen repareren. De criteria voor de regio’s moesten nog worden opgesteld bij het samenstellen van dit artikel. Getracht wordt om in ieder geval iedere gedupeerde binnen een potentiële regeling te kunnen betrekken.
 
Ronnie de Hoon
 
 
Stikstofdynamiek belicht: NDICEA
 
Afgelopen jaren is het een en ander aan onderzoek gedaan naar methoden om in de grond aanwezige N te voorspellen. Een van de best uitgewerkte modellen is het NDICEA model. Nitraatrichtlijn en kwaliteitseisen uit de markt zullen meer en meer druk leggen op het gebruik van stikstof door de planten.
 
Bemestingsplan
Als teler van vollegrondsgroentegewassen bent u primair geïnteresseerd in de vraag of er komend seizoen voldoende stikstof beschikbaar zal zijn voor uw gewassen om de beoogde opbrengsten te kunnen realiseren. U maakt daarbij gebruik van uw ervaring, van inschattingen en van berekeningen. In deze berekeningen betrekt u of uw adviseur de verwachte stikstofnalevering van voorvrucht, groenbemester en organische mest van voorgaand seizoen, en u verrekent de werkingscoëfficiënt van geplande organische bemestingen. Dan blijven er toch nog drie onbekenden over:
• Hoeveel stikstof levert de bodem zelf?
• Kloppen de cijfers uit de tabellen voor stikstofnalevering voor mijn bodem, mijn percelen?
• Wat is de invloed van het weersverloop op de stikstofbeschikbaarheid?
Deze drie onbekenden kunnen in beeld komen door gebruik te maken van het computerprogramma NDICEA, ontwikkeld door Louis Bolk Instituut en Wageningen UR. U maakt in dit programma gebruik van tenminste twee jaar voorgeschiedenis en van actuele, regionale weersgegevens. Samen met enkele N-mineraal metingen als toetssteen levert dat betrouwbare en perceelspecifieke informatie op. Hiervan kunt u gebruik maken bij het opstellen van het bemestingsplan, zowel gewasgericht als vruchtwisselinggericht. De N-efficiëntie van uw bemesting kunt u ermee verhogen.
 
Werking van het model NDICEA.
Mineralisatie van stikstof uit humus en uit recent aan de bodem toegevoegde organische stof zoals gewasresten, groenbemesters en organische mest is een proces van jaren. Het cumulatieve effect kan flink
oplopen. Bij gebruik van NDICEA wordt minstens twee jaar voorgeschiedenis meegenomen: geteelde gewassen en groenbemesters en alle uitgevoerde bemestingen. Per soort organische stof rekent het programma vervolgens in stappen van één week uit wanneer hoeveel stikstof beschikbaar komt. Daarbij wordt rekening gehouden met
• de soort organische stof en het stikstofgehalte ervan;
• de grondsoort, zoals textuur en pH;
• temperatuur en neerslag.
De beschikbaar komende stikstof wordt gezet naast de verwachte stikstofopname door het gewas, en daarmee is meteen de primaire vraag van de teler belicht: krijgt mijn gewas voldoende stikstof ter beschikking?
 
Korte en lange termijn
Naast dit korte termijn belang kunt u met NDICEA ook zicht krijgen op twee zaken op langere termijn: waar en wanneer verlies ik stikstof, en hoe zit het met de bodem organische stof op termijn? Verliezen van stikstof treden met name op door uitspoeling en daarnaast door denitrificatie. Denitrificatie is meestal veel geringer dan uitspoeling, en denitrificatie is moeilijk door teeltmaatregelen te beïnvloeden. Uitspoeling daarentegen is in principe tot op zekere hoogte stuurbaar en sturen begint met inzicht waar sturen nodig is. De informatie daarover levert NDICEA. Het sturen zelf kunt u ‘droog’ oefenen: door aangepaste teeltmaatregelen in het programma in te voeren en het resultaat te vergelijken met de oorspronkelijke situatie.
 
Leerzaam.
Ook de echt lange termijn, namelijk het verloop van het organische stofgehalte, wordt in beeld gebracht. Als blijkt dat u een dalende tendens op uw percelen heeft kunt u ook hier ‘droog’ oefenen: wat zou de
bijdrage zijn van de introductie van een groenbemester, van stro inwerken, van compostgiften? Intikken, doorrekenen, beoordelen: 5 minuten en u bent wat wijzer geworden.
 
Perceel kalibratie
De uitslag van een computermodel wordt betrouwbaarder als die uitslag getoetst wordt aan de werkelijkheid. Deze toets kan binnen NDICEA plaatsvinden door op uw percelen N-mineraal metingen uit te voeren. Het niveau N-mineraal is op ieder moment het resultaat van wat er bij komt (mineralisatie, neerslag, bemesting) en wat er verdwijnt (denitrificatie, uitspoeling, gewasopname, immobilisatie ), en dat is de kern van NDICEA. U bent misschien gewend in het voorjaar een N-mineraal meting uit te laten voeren. Om NDICEA perceelspecifiek te kalibreren heeft u minstens drie metingen verspreid over het jaar nodig. Als blijkt dat het model het verloop van N-mineraal goed beschrijft kan het volgende jaar volstaan worden met een check vlak voor zaaien of poten.
Benodigde informatie
Het computerprogramma is zo opgezet dat u in één oogopslag ziet welke informatie er van u gevraagd wordt: regio, bodemeigenschappen, opeenvolgende gewassen en uitgevoerde of geplande bemestingen. De informatie, die u invult weet u uit het hoofd of kunt u terugvinden in de bedrijfsadministratie. Er zijn geen aanvullende metingen nodig,
 
Waarom gebruiken?
U kunt er wijzer van worden als u het programma gaat inzetten. Als u gebruik maakt van de volle 170 kg per hectare uit dierlijke mest die toegestaan is, dan zal NDICEA u vooral tonen waar en wanneer de verliezen door uitspoeling van stikstof plaatsvinden. Indien u gemotiveerd bent om te zoeken naar mogelijkheden om de verliezen te beperken kunt u dat deels binnen NDICEA verkennen. Het effect van de introductie van een groenbemester kunt u snel aflezen. Het effect van een verminderde mestgift, in geval van een teelt waarbij de stikstofbeschikbaarheid ruim boven de behoefte ligt, kunt u echter niet direct aflezen. U kunt wel zien of er rekenkundig nog genoeg stikstof beschikbaar zal zijn en u kunt ook zien of de uitspoeling afneemt, maar u kunt niet zien of de opbrengst overeind blijft. Dat kan het model niet uitrekenen. Daar kunt u misschien wel zelf een inschatting van maken: hoeveel stikstofbuffer in de grond heeft dit gewas nodig om lekker te kunnen blijven groeien? Wat weer wel kan is een berekening maken van wat er zou gebeuren als het 25% of 50% boven normaal zou regenen. Deze extreme weersomstandigheden kunt u instellen als test: kan mijn bouwplan tegen extra neerslag, of gaat er dan zoveel stikstof door uitspoeling verloren dat de verwachte opbrengst in gevaar komt? Als u juist heel zuinig bemest en iedere kilo stikstof telt, kan het model u helpen in de fijnafstemming. Schuiven van gewassen in de rotatie of timing van de bemesting kunt u achter uw bureau doorrekenen om vervolgens het beste alternatief in praktijk te testen.
 
Doen of laten doen
Het programma kunt u zonder kosten ophalen vanaf www.ndicea.nl. Daar staat ook een handleiding en andere aanvullende informatie. Dat is voldoende om er zelf mee aan de slag te kunnen gaan.
 
Verzameld door Nico Bakker

 

Gewis in vollegrondsgroente
Gewis staat voor “Gewasbescherming En Weer Informatie Systeem”. Gewis is een computerprogramma dat u helpt het juiste spuitmoment te bepalen bij de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Er bestaat een sterke relatie tussen het weer en het effect van gewasbeschermingsmiddelen. De weersomstandigheden rondom het moment van de bespuiting bepalen het verschil tussen een geslaagde en een mislukte bespuiting.
Hoe werkt Gewis
Het adviessysteem Gewis berekent aan de hand van de weersgegevens het meest optimale spuitmoment. Hiermee voorkomt u dat uw gewas schade oploopt door een bespuiting op het verkeerde moment. Omdat u kunt spuiten op het meest geschikte moment, kunt u in veel gevallen ook een lagere dosering aanhouden. U bespaart dus middel en het risico op gewasschade neemt af.
Weerstation
Het Gewis-programma maakt gebruik van gegevens die verkregen worden via een weerstation in de regio. Deze worden via internet van het weerstation opgehaald. Het weerstation meet continu het microklimaat in het gewas en registreert de waarden per uur. Gewas- en bodemtemperatuur, luchtGewis in vollegrondsgroente vochtigheid in het gewas, neerslag en windsnelheid in de afgelopen dagen zijn van grote invloed op de toestand van de plant tijdens het spuiten (mate van afharding, blad droog of nat, groeisnelheid etc.). Gewis verwerkt deze gegevens bij het bepalen van het advies.
Weersverwachting
Gewis is gekoppeld aan het landbouwweerbericht voor de regio. Met deze gegevens wordt een inschatting gemaakt of ook na de bespuiting aan de weersvoorwaarden voor een effectieve toepassing van het middel wordt voldaan. Denk hierbij aan een buitje na toepassing van een bodemherbicide, groeizaam weer in de dagen na toepassing van een groeistof, of voldoende hechting bij toepassing van een contactfungicide.
Effect van een bespuiting
Wat de ideale omstandigheden voor een bespuiting zijn, wordt bepaald door allerlei specifieke eigenschappen van het middel: werkingsmechanisme, werkzame stof, formulering etc. Het gewisprogramma heeft een databank waarin alle eigenschappen van de bestrijdingsmiddelen zijn opgeslagen. Als u een bepaalde bespuiting wilt uitvoeren, kiest u het betreffende middel uit de lijst. Op basis van de weersgegevens berekent Gewis hoe die processen verlopen, dus wat het relatieve effect van de bespuiting is. Het effect van een werkzame stof wordt weergegeven in een grafiek over de periode van eergisteren t/m overmorgen. Per uur leest u af of de omstandigheden gunstig, gemiddeld of ongunstig zijn (zie voorbeeldgrafiek). Zo krijgt u op een eenvoudige wijze inzicht in de weersomstandigheden in relatie tot het bespuitingseffect. Bespuitingen onder ongunstige omstandigheden, met als gevolg een onvoldoende effect van het middel of zelfs gewasschade, kunt u zo vermijden.
Tips
Bij ‘groen’ spuiten: Probeer onder zo optimaal mogelijke omstandigheden te spuiten. Het programma Gewis geeft dit weer in een grafiek met de kleur groen. U kunt Gewis ook heel goed gebruiken als controle. Heeft u bepaalde bespuitingen gepland, kijk dan naar de Gewisadviezen en doe vervolgens (kleine) bijstellingen. Het programma werkt vaak ondersteunend op uw eigen gevoel en inschatting van de spuitomstandigheden.
Zelf beslissing nemen: Gewis geeft een advies voor het juiste spuitmoment. Het is natuurlijk aan uzelf om daar gepast mee om te gaan. Sommige bespuitingen dulden geen uitstel vanwege bijvoorbeeld de onkruidsituatie. Daarnaast moet de bespuiting wel passen in uw werkplanning.
Middelenkeuze: Onder specifieke weersomstandigheden kunnen middelen, die normaal niet de eerste voorkeur hebben, wel eens beter geschikt zijn. Als een middel dat u bij voorkeur gebruikt volgens Gewis maar matig effectief is, kijk dan eens naar de adviezen voor alternatieve middelen.
Terugkijken: Met Gewis kunt u terugkijken op al gedane bespuitingen. Door een goed of slecht resultaat te koppelen aan de beoordeling van Gewis kunt u op dit gebied veel kennis opdoen. Gewis stelt u in staat om gemakkelijker af te stappen van uw vaste gewoontes. Het programma zal u leren dat bepaalde vuistregels (bijvoorbeeld dat het beter is om ‘s avonds te spuiten) lang niet altijd opgaan en zeker niet voor alle middelen gelden.
Bron: Agrovision
30 mei 2011  Jaloers makend
De presentatie van Bart Declercq, onderzoeker bij het Belgische POVLT, tijdens de landelijke spruitendag was in het kort te omschrijven als jaloersmakend. De Belgische telers beschikken tot nu nog over middelen waar wij jaloers op worden: Mesurol slakken korrels, dimethoaat en Dursban.
 
Een pijnlijke confrontatie met het strengere Nederlandse beleid. Maar ook in België zit men met de billen geknepen. Want met de komende harmonisatie verwacht men ook daar dat er middelen gaan verdwijnen. Zo betreft de Mesurol nog een oude toelating en staat ook daar dimethoaat onder druk. Declercq gaf daarbij aan dat de Belgische overheid wellicht iets makkelijker is, maar in de toekomst de verschillen met Nederland alleen maar kleiner zullen worden. De tragere afschaffing van middelen blijkt echter ook een klein nadeel te kunnen zijn. Zo heeft men in bepaalde glasteelten last met het voldoen aan de MRL normen. Teelten als sla onder glas bevatten nog wel eens middelen die in bodem zijn blijven hangen vanuit een ver verleden.
 
Naast het verschil in middelen vertelde Declercq ook over een ‘nieuwe’ ziekte die men in België steeds vaker tegen komt: Pyrenopeziza. In Groot Brittannië is dit al enkele jaren een zeer belangrijke ziekte en deze is nu dus ook gevonden in België en sporadisch ook al in Nederland. De schimmel, die ook wel ‘light leaf spot’ wordt genoemd, blijkt goed te kunnen overleven bij koude en natte omstandigheden. Op dit moment is er nog weinig bekend over mogelijke bestrijdingsmiddelen tegen deze ziekte. In België acht men de bedreiging echter dermate hoog, dat hier een budget is vrijgemaakt om een efficiëntie onderzoek uit te voeren naar de bestrijding van deze nieuwe ziekte.
Ronnie de Hoon 
 
Puntemissies
In de landbouw geldt sinds 1999 het lozingenbesluit. Om de kans op depositie (neerslag) van spuitnevel in oppervlaktewater te verminderen zijn teelt- en spuitvrije zones, driftarme doppen, luchtondersteuning en het gebruik van sleepdoek voorgeschreven langs oppervlaktewater. Door deze maatregelen is de depositie van spuitvloeistof door drift met 90% afgenomen. Helaas namen de normoverschrijdingen met veel minder dan 90% af. De drinkwaternorm ligt op 0,1 milligram per 1000 liter. Dit is vergelijkbaar met 0,5 milliliter product (met een concentratie van 500g/l) in een 50 meter zwembad. Het gaat dus om zeer kleine hoeveelheden. Naast de diffuse emissie door drift zijn er nog een groot aantal oorzaken van emissie. Dit zijn vaak puntlozingen.
Puntlozingen worden veroorzaakt door de emissie van spuitvloeistof of middel op één punt. De risico’s van puntemissie zijn groot op vul- en spoelplaatsen van spuitapparatuur. Als een spuit wordt gevuld kan er iets fout gaan, waardoor puur middel of een hoeveelheid spuitvloeistof wordt gemorst. Bij de ontsmetting van bollen of het behandelen van plantgoed op verhardingen kan lekwater in de sloot of het riool terechtkomen. Bij het schonen van producten als prei, peen of aardappel kunnen residuen van gewasbeschermingsmiddelen met het spoelwater naar sloot of riool worden afgevoerd en uiteindelijk in het oppervlaktewater terecht komen. Tijdens het spuiten raakt spuitapparatuur vervuild met gewasbeschermingsmiddelen. Ook dit is een bron voor puntlozingen. Om puntemissies te voorkomen of te beperken, kunt u het volgende doen:
• Vul de spuit op een vloeistofdichte vloer en voer eventueel gemorste spuitvloeistof of middel af als chemisch afval;
• Voer fust van bestrijdingsmiddelen volgens de regels af;
• Bij het reinigen van de spuitapparatuur komen spuitrestanten op de grond, voorkom hierbij dat dit water in het riool of oppervlaktewater kan stromen;
• Stal spuitapparatuur op onverhard terrein of onder een overkapping;
• Restanten van spuitvloeistof die in de tank achterblijven mogen over de akker worden verspoten. Deze mogen nadrukkelijk niet op verhardingen of in het riool worden geloosd.
Bedenk steeds dat machines en producten die met gewasbeschermingsmiddelen in contact zijn geweest een bron van puntemissie zijn.
Bron:diverse

 

6 mei 2011

Landelijke Spruitendag op dinsdag 17 mei dit jaar in Zuid-Beijerland.

 

29 april 2011

32 telers vergoed na brand Moerdijk

De 32 telers die bij het Productschap Tuinbouw hun schade gemeld hebben krijgen hoogst waarschijnlijk een vergoeding. Eerder dit jaar maakte de overheid bekend dat zij €1,1 miljoen ter beschikking wilden stellen voor schade vergoeding wegens de ramp in Moerdijk.
 
Het bedrag van €1,1 miljoen wordt waarschijnlijk niet geheel benut. Het Productschap Tuinbouw gaat er nu van uit dat er in totaal €750.000,- wordt uitgekeerd.
 
Het overgrote deel gaat naar spruitentelers die gehoor hebben gegeven aan het advies van de overheid om hun groenten niet op de markt de brengen. Reden hiertoe was om mogelijke effecten op de volksgezondheid voor te zijn en het te trachten het vertrouwen van de consument en handel te behouden.
 
Het productschap Tuinbouw houdt nog wel een slag om de arm omtrent het uit te keren bedrag. Zij wil eerst haar controles afronden. Na afronding van deze controles verwacht men de vergoeding voor de zomer uit te kunnen keren.
 
Ronnie de Hoon
 
 
Effectiviteit onderzoek middelen late koolvlieg
 
Spruitentelers is het bekend, een aantasting van de made van de koolvlieg kan grote schade veroorzaken. Een goede bestrijding is echter lastig vanwege het magere middelenpakket. Een nieuw middel is dan ook gewenst en zodoende is er door Proeftuin Zwaagdijk in 2009 en 2010 een onderzoek uitgevoerd naar de effectiviteit van negen verschillende behandelingen.
 
De koolvlieg legt 2 tot 30 eieren bij de voet van de plant. De eerste vlucht van de koolvlieg wordt vaak waargenomen in de tweede helft van april. Vervolgens is er al een tweede vlucht in juni te zien welke doorgaat in juli. Er vind bij de koolvlieg vervolgens zelfs een derde vlucht plaats in augustus- september. Bij deze latere vluchten worden in spruiten de eieren vaak ook in de oksels van de onderste bladeren, bij de spruiten, afgezet. De larven die hieruit groeien veroorzaken vervolgens wormstekigheid in de spruiten. De vraatschade leidt uiteindelijk tot rotting.
 
Voor de proef werden locaties geselecteerd met een hoge infectiedruk door de 1e vlucht koolvliegen. Zo werd een perceel in Moerstraten gebruikt als ook in Slootdorp. Voor de proeven is het ras Camus gebruikt welke vanaf augustus om de veertien dagen werd bespoten met de verschillende objecten waarbij 400 tot 600 liter per hectare werd gebruikt.
 
Spijtig was dat de aantasting in 2009 laag was, waardoor de verschillen in effectiviteit in de proef klein waren. De proef ondervond wel een grote aantasting van luizen in de maanden september- augustus, maar er werden geen effecten van de objecten op de luizen waar genomen.
 
In 2010 is de proef doorgezet. De aantasting was in dit jaar groter waardoor er beter verschillen in effectiviteit werden gevonden. Op beide locaties werden gelijke verschillen gezien. Uiteindelijk was er 1 middel die significant een beter resultaat haalde ten opzichte van onbehandeld. De overige middelen veroorzaakten geen verschil.
 
Inmiddels zijn er nieuwe stoffen op de markt bij gekomen die mogelijk een positief effect kunnen hebben op de bestrijding van de late koolvlieg. De Landelijke Kerngroep Spruitkool heeft dan ook onlangs besloten om het onderzoek een vervolg te geven. Zo zal er ook dit jaar een effectiviteitonderzoek plaats vinden naar nieuwe middelen in de bestrijding van de late koolvlieg.
 
Ronnie de Hoon
 
 
Steward; welkome aanvulling op middelenpakket
 
Op 28 januari berichtte het CTGB (College voor toelating van Gewasbeschermingsmiddelen en biociden) de uitbeiding van Steward in de spruitkool. Een welkome aanvulling, zeker nu Nomolt is komen te vervallen.
 
Steward is een insecticide voor de bestrijding van rupsen van motten en vlinders. Het middel bestrijd alle larve stadia van de insecten. In enkele uitzonderings gevallen, zoals de fruitmot, heeft het middel ook een werking op de eieren.
 
Steward heeft in de spruitkool een toelating ter bestrijding van koolmot, koolwitje, kooluil, late koolmot en de koolbladroller. Op het etiket wordt geadviseeerd om een eerste behandeling toe te passen zodra de eerste rupsen gesignaleerd worden of 7 a 10 dagen naar de eerste moten of vlinders. Afhankelijk van de plaagontwikkeling adviseert men een interval van 8 – 14 dagen.
 
Het middel mag ingezet worden met 85 gram per hectare. Daarbij zijn 3 toepassingen per teelt toegestaan. Per jaar mag men het middel maximaal 6 keer toepassen. Het middel heeft daarbij wel een ruime veiligheidstermijn van 28 dagen.
 
Steward wordt in de spruitkool met name verwelkomd in de bestrijding van de koolmot. Tot op heden was er een vergrootte kans op resistentie vanwege de vrij eenzijdige inzet van Pyrethroide (Decis, Sumicidin, Karate Zeon).
 
Ronnie de Hoon
 
 
Gebruikmaken van sterke eigenschappen en uitdagingen
 
De tuinbouwsector is continu in beweging. Diverse partijen geven adviezen om teeltbedrijven klaar te stomen voor een positie in de keten. Hieronder volgt een opsomming van de constateringen uit diverse bronnen.
Naast een wispelturige consument zien we ook maatschappelijke ontwikkelingen die steeds meer vragen van de producent van groenten. De integratie in de keten is een andere ontwikkeling die meer en meer zichtbaar wordt. Een product als groente zal niet uit de winkelschappen en diverse verwerkte voedingsproducten verdwijnen, maar om te profiteren van de hang naar variatie bij consumenten en de extra euro’s die men te besteden heeft, zullen ketenpartijen nadrukkelijker op consumentenbewegingen moeten inspelen. Anders zullen veel groenten nog meer dan nu een commodity worden die slechts door een kleine groep telers rendabel geteeld kan worden. Maar gezond voedsel is hot, supermarkten willen zich met hun AGF-afdeling profileren en Nederland heeft goede teeltomstandigheden en een goed functionerend tuinbouwcomplex van teelt, verwerking en handel. Alle randvoorwaarden zijn in ieder geval
aanwezig om de Nederlandse volegrondsgroenteteler klaar te stomen voor de toekomst! Wat kan de individuele teler nu doen om zichzelf klaar te stomen voor de toekomst? Hieronder volgt een aantal opties. Iedere ondernemer moet uiteindelijk zijn beslissingen nemen op basis van wat hij of zij zelf wil, kan en mag.
 
Kennis is macht
Voor alle beslissingen die in het bedrijf genomen worden, of dit nu investeringen in nieuwe rassen, grondaankoop, uitbreiding van het bedrijf of mechanisering betreft, is het van belang inzicht in de kengetallen van het bedrijf te hebben zodat bepaald kan worden wat de invloed van een bepaalde beslissing hierop is. Het gaat hier om zaken als de precieze kostprijs van de vollegrondsgroenteteelt, de rendabiliteits- en liquiditeitsprognoses van het bedrijf enzovoort.
 
Kwaliteit leveren
Een goede kwaliteit van producten is een absolute basisvoorwaarde om het vertrouwen van afnemers niet te schaden. Alleen afdoende kwaliteit maken investeringen in promotie, productontwikkeling en verbetering rendabel.
 
Klant is koning
Het hele bedrijf zal meer en meer aangepast moeten worden aan wensen van afnemers. Dit vereist inzicht in wie de afnemers zijn, wat ze willen en waartoe ze wellicht verleid kunnen worden.
 
Visie op afzet
Er is visie nodig op hoe de verkoop van de oogst geregeld moet worden en hoe de prijsrisico’s het beste gemanaged kunnen worden. Afzet vooraf regelen geeft zekerheid. Spreiding over vrije markt, en contractteelt geven ook meer zekerheid en spreiding van risico’s.
 
Samenwerken
Het is al vaak gezegd, maar samenwerking kan voor veel uitdagingen en problemen echt een uitkomst zijn. Voor telers die in het bulksegment actief zijn kan samenwerking met collega’s eventueel zorgen voor meer schaalgrootte en daardoor eventueel minder kosten. Een voorbeeld is het samen aanschaffen van machines. Ook kan verdergaande samenwerking tussen bedrijven ervoor zorgen dat taken
tussen ondernemers beter verdeeld worden zodat ieders kwaliteiten optimaal worden benut. Samenwerking zou niet alleen tussen individuele telers moeten plaatsvinden, maar ook tussen andere bedrijven in de keten en aanverwante organisaties (veredeling, handel, verwerking, AGF-promotie). Telersverenigingen, brancheorganisaties en dergelijke zouden meer gezamenlijke initiatieven kunnen
nemen om de markt te bewerken en de belangen van de sector te behartigen.
 
Contacten in plaats van contracten
Contacten en netwerken worden belangrijker, zeker wanneer telers zich op een exclusiever marktsegment richten. Om het product succesvol in de markt te zetten, zullen contacten met diverse partijen binnen en buiten de eigen keten een must zijn. Bedrijven zullen in de toekomst sowieso vaker samenwerkingsverbanden aangaan met partijen binnen en buiten de sector, in Nederland maar ook daarbuiten. Veel van deze netwerken zijn tijdelijk om aan specifieke wensen van de klant tegemoet te komen. Voor het vinden van de juiste contactpersonen kan het nuttig zijn om cursussen en trainingen op dit gebied te volgen, beurzen te bezoeken, bedrijven in andere sectoren te bekijken, een kijkje te nemen bij exporteurs en supermarkten en bij de afnemers te informeren naar de tevredenheid. Ook van
collega-agrariërs in onder andere de glastuinbouw zou veel geleerd kunnen worden, bijvoorbeeld op het gebied van afzetgerichte telersverenigingen en de ontwikkeling van marktconcepten.
 
Ketenintegratie optie voor enkeling
Om een groter deel van de marge in de keten op het eigen bedrijf te realiseren, kunnen telers ook zelf gaan koelen, spoelen en verpakken. Dit vereist echter heel andere vaardigheden en contacten dan een teler doorgaans heeft. Bovendien is een minimale schaalgrootte nodig om deze activiteiten rendabel te kunnen exploiteren. Samenwerking met andere telers (eventueel van andere producten) en goede contacten met afnemers zijn noodzakelijk om de capaciteit te benutten en afnemers goed te kunnen bedienen.
 
Kosten in de keten omlaag bij bulkproductie
Vooral voor de vollegrondsgroenteteelt in het bulksegment geldt dat de marges in de keten structureel onder druk zullen blijven staan, onder meer door de blijvende dreiging van overaanbod en de toenemende macht van de georganiseerde detailhandel. Dit noodzaakt bedrijven door de gehele keten heen zeer kostenbewust te zijn. Het is geen sinecure om de kosten nog verder omlaag te brengen, maar het streven moet aanwezig zijn.
 
Denken in opbrengsten
Wie zich eenmaal op het pad van bulkproductie begeeft, komt terecht in een voortdurende wedloop van zo goedkoop mogelijk produceren. Dit is alleen voor de koplopers interessant; het peloton van vollegrondsgroentetelers kan deze wedloop uiteindelijk nooit winnen. Deze groep zou zich meer moeten gaan afvragen hoe men de opbrengsten kan verhogen in plaats van de kosten verder te verlagen.
 
Ronnie de Hoon
 
 
jan. 2011 Movento na veel inspanning toegelaten

Kop er bij houden en doorzetten. De toelating van Movento in diverse vollegrondsgroentegewassen is eindelijk voor elkaar. Niet zonder slag of stoot maar wel met resultaat. De samenwerking tussen landelijke kerngroep spruiten, middelencoördinator en fabrikant is er een van jaren die nu tot dit tevredenstellende resultaat leiden. De toelating van Movento is een voorbeeld van het belang van een goede focus van LTO op effectieve inzet van de middelencoördinator en de benutting van Productschapgeld voor financiering van onderzoeken en coördinator.

Het is niet vaak dat een nieuwe stof wordt toegelaten zeker niet in de vollegrondsgroentesector. De geschiedenis van de toelating van Movento is er een van jaren. In het najaar van 2002 heeft de landelijke kerngroep spruiten van het huidige LTO Vollegrondsgroente.net op basis van grote problemen met witte vlieg een onderzoekswens geformuleerd waarin de zoektocht naar een goed middel tegen insecten werd gestart. In overleg tussen spruitentelers, LTO middelencoordinator en fabrikant Bayer zijn in 2003 en 2004 uitgebreide proeven weggelegd met financiering via het Productschap Tuinbouw. Op basis van deze onderzoeken is Movento dat toe nog als code in de onderzoeksrapportage is genoemd, aangewezen als effectief middel tegen witte vlieg.

Vervolgens is een dossier opgebouwd dat voldoende is om een toelating bij het ctgb te verkrijgen. De middelencoordinator heeft vanuit zijn expertise gezorgd voor de volledigheid van gewassen op het etiket. Van de zogenaamde extrapolatiemogelijkheden waarin resultaten van spruiten te kopieren zijn naar andere gewassen is zoveel mogelijk gebruik gemaakt waardoor nu ook gewassen als Chinese kool en paksoi op het toelatingsetiket staan. Bayer heeft als eigenaar van Movento allerlei studies waaronder residustudies uitgevoerd en gefinancierd. Uiteindelijk is er een hele verzameling aan onderzoeken en studies verzameld om een dossier te vormen die nu tot toelating leiden.

De toelating van Movento is een voorbeeld van de lange adem die nodig is om een toelating te realiseren. Snelheid en toelatingsbeleid zijn twee heel verschillende dingen. Contacten vasthouden met alle belanghebbenden en weten wat het einddoel is zijn erg belangrijk om tot resultaat te komen. Hier laat de toegevoegde waarde van de LTO middelencoordinator zich zien.

 Miriam Breedeveld

Tijdelijke toelating Admire weer afgegeven

In de CTGb vergadering van 7 januari 2011 is besloten om de Admire in de teelt van spruitkool, bloemkool en broccoli toe te laten. De toelating is een tijdelijke via de procedure van een dringend vereiste gewasbeschermingsmiddel.

In spruitkool is Admire een oplossing voor het knelpunt witte vlieg. In bloemkool en broccoli betreft het een oplossing voor het knelpunt koolgalmug.

Admire is uitsluitend toegestaan als insectenbestrijdingsmiddel met maximaal 1 toepassing per teelt.

In de teelt van spruitkool betreft het een toelating als traybehandeling vóór het planten vanaf 1 februari 2011 tot en met 30 juni 2011 of toegepast door middel van de phytodriptechniek tot en met 30 april 2011.

Het is niet toegestaan in één teelt of teeltseizoen zowel Gaucho Tuinbouw (zaadbehandeling of dummypil) als Admire (traybehandeling of phytodriptechniek) toe te passen.

Het middel mag worden toegepast als traybehandeling vóór het planten, dan wel een phytodripbehandeling van spruitkool, met dien verstande dat maximaal 40.000 planten per hectare mogen worden geplant. De traybehandeling is uitsluitend toegestaan op een niet doorlatende ondergrond die niet afwatert op oppervlaktewater of in kassen met een volledig gesloten recirculatiesysteem.

Nadrukkelijk wordt de sector gevraagd om alternatieve of reguliere oplossingen voor het knelpunt te zoeken. De DVG procedure is na seizoen 2011 waarschijnlijk niet meer mogelijk.

De tijdelijke toelating van Admire is gerealiseerd door inspanning van de LTO middelencoördinator i.s.m. de werkgroep effectief middelenpakket. De middelencoördinator wordt met sectorgeld gefinancierd via het Productschap Tuinbouw

Miriam Breedeveld

 

Moerdijk, de echte ramp kwam later

Bijna 250 mensen kwamen naar de bijeenkomst van LTO Noord en bijna 250 mensen gingen gefrustreerd weer weg. Ondanks de goed georganiseerde bijeenkomst door LTO Noord bleef het wachten op de uitslagen van de gewasmonsters.

LTO Noord had gezorgd voor een goede vertegenwoordiging met als voorzitter Arie Verhorst, voorzitter van LTO Noord Zuid. Achter de tafel zaten vervolgens Nicolette Quadvlieg (PT), Reinoud Woittiez (RIVM), Teun de Waard (LTO Noord) en Leo van Pelt (jurist LTO Noord). Grote afwezige was dhr. Bleker van nVWA welke op het laatste moment af moest zeggen wegens een overleg met de overheidsinstanties.

De grootste vraag; " wat zijn de uitslagen van de gewasmonsters?", bleef gedurende de avond onbeantwoord tot grote verbazing en onbegrip van de zaal. In de zaal waren vrijwel alle belangrijke afzetbedrijven aanwezig. De afzetbedrijven hebben vrijwel direct na de brand monsters genomen van de gewassen in een uitgebreid gebied. Daarbij werden vaak dezelfde laboratoria gebruikt als door de overheid. De resultaten van deze onderzoeken waren veelal binnen enkele dagen bekend, waar het nog steeds wachten was op de uitslagen van de overheid. Het RIVM meldde echter dat de besluitvormer, nVWA, de eigen monsters als leidend neemt in haar besluitvorming waardoor de sector nog steeds geen duidelijkheid had.

Omtrent schadevergoeding werd gemeld dat alles schriftelijk aantoonbaar moet zijn. De vraag werd gesteld of imago schade ook mee genomen kan worden? dhr. Wessels van DAS Rechtsbijstand gaf hierop als antwoord dat dit moeilijker zal zijn. "In eerste instantie zal men moeten aantonen wie hiervoor aansprakelijk is en vervolgens dient dit aangetoond te kunnen worden". als sector is er een kleine kans, maar als individuele teler zal dit moeilijk zijn.

Met het uitblijven van antwoorden is het voor de sector een steeds groter wordend probleem. De prijzen staan onder druk en de retail trekt zich terug. Wat begon als een goed seizoen sluit af met een mogelijke ‘ramp’.

© alle rechten voorbehouden LTO vollegrondsgroente.net