Gewasinfo broccoli

9jan. 2012

Eerste contactdag Vegetable Valley Bloemkool en Broccoli gezellig druk
Op 5 januari 2012 organiseerde LTO vollegrondsgroente.net in samenwerking met de bloemkool en broccoli promotiegroep en Plantenkwekerij Gitzels de eerste Vegetable Valley contactdag bij Proeftuin Zwaagdijk.

 
Tijdens de open dag konden telers uitgebreid bijpraten met collega telers en teeltspecialisten over de stand van zaken omtrent bloemkool en broccoli.  De loods bij Proeftuin Zwaagdijk was gevuld met een beursplein van zaadbedrijven en  toeleveranciers van gewasbeschermingsmiddelen, meststoffen en uitgangsmateriaal. Naast een beursplein was een informatief programma met presentaties samengesteld. Jan de Lange van Proeftuin Zwaagdijk gaf lezingen over bestrijding van koolgalmug, schermrot en Rhyzoctonia. Hans de Vlugt van Syngenta Crop Protection gaf een presentatie over de werking van Amistar. De dag werd afgesloten met een cabaretvoorstellen van KaaBee en een buffet. De organisatie kijkt positief terug op de eerste Vegetable Valley contact dag.

 

11 oktober 2011

Smet in broccoli laat zich zien

 
Op 13 september jl. heeft een groot aantal broccoli telers in samenwerking met enkele deskundige gehoor gegeven om een discussie te houden hoe smet in broccoli kan worden voorkomen. Tevens wil de sector gaan kijken hoe of dit probleem in de toekomst in de teelt kan worden aangepakt.
Schermrot is de laatste jaren een groot probleem in de teelt van broccoli. Hierbij komen enkele weken voor de oogst bacteriën (Pseudomonas marginalis en Pseudomonas fluorences) op de plant en worden onder vochtige omstandigheden getransporteerd over het gewas. Indien dit vocht in aanraking kan komen met een kleine beschadiging ( zuigschade of prikschade door insecten) kan het product worden geïnfecteerd waardoor de smet het product onverkoopbaar maakt.
 Het verlies van oogstbare planten door schermrot kan oplopen tot meer dan 90%. De Pseudomonas bacteriën komen van nature voor in de bodem en zorgen voor afbraakprocessen die in de bodem plaatsvinden. Er is een verschil in rasgevoeligheid voor schermrot, maar die hebben onder normale omstandigheden niet altijd de voorkeur van de telers en afnemers. Als een broccoli met schermrot in het handelskanaal komt, krijgt de consument een heel negatieve ervaring met broccoli, wat slecht is voor het imago en afzet. Het is dan ook van groot belang dat de broccolitelers weten hoe of zij dit kunnen beperken en gaan zoeken naar mogelijkheden om schermrot te voorkomen.
 
 
De sector zal moeten gaan onderzoeken en inventariseren of met bijv. Teeltmaatregelen, bemesting en of gewasbespuitingen het optreden van schermrot kan worden verminderd en of worden voorkomen. Ook de rassenkeus kan hierin van invloed zijn. in het verleden een werking hebben laten zien kunnen worden vergeleken met middelen die de weerstand van de plant stimuleren, het gewas sneller laten opdrogen, of spore elementen die de plant vitaler maken. Hiernaast zijn er enkele middelen ontwikkeld die een bacteriële werking hebben.
 
 
Ook zal er moeten worden gekeken worden naar de bestaande kennis van bijvoorbeeld plantenkwekers en de zaadhandel:
Uit onderzoek aan het eind van de vorige eeuw bleek dat het mogelijk is om schermrot te verminderen door te spuiten met een mengesel van o.a. Silicium en kalk dat de weerstand van het gewas en de pH verhoogt. Ook bespuitingen met calciumchloride of Bactosan gaf een mogelijke vermindering van schermrot. Specifieke bacericiden zijn er in de tuinbouw niet. Enkele fungiciden hebben mogelijk een nevenwerking op bacteriën. De laatste jaren zijn er een aantal middelen met biologische achtergrond ontwikkeld die een antagonistische werking hebben, waardoor het gewas tegen schimmels en bacteriën wordt beschermd. Een groot voordeel van deze middelen is dat ze tot aan de oogst kunnen worden toegepast omdat ze geen residu hebben.
 
Let hierbij op dat sommige middelen niet altijd mogen worden ingezet.
 
Nico Bakker
 
 
 
Oogst te voorspellen vanuit de ruimte
 
Satellieten maken het mogelijk de oogst te voorspellen. Dat heeft de Europese ruimtevaartorganisatie ESA bekendgemaakt. ESA kan ook vanuit de ruimte gewassen observeren en de waterhuishouding bekijken.
 
De ruimtevaartorganisatie heeft samen met Wageningen UR twee jaar onderzoek gedaan met gegevens van een Canadese satelliet. Ter controle zijn ook veldmetingen op de grond verricht. Drie gebieden stonden daarbij centraal: Barrax in Spanje, Indian Head in Canada en de Nederlandse provincie Flevoland.
 
Het onderzoek is een voorbode van de mogelijkheden van de nog te lanceren satelliet Sentinel-1. De prioriteit van die missie ligt bij de detectie van schepen en het in kaart brengen van zeeijs, maar de gegevens zijn ook te gebruiken voor toepassingen op land, meldt Wageningen UR.
 
Bodemvocht
Uit het onderzoek van Wageningen UR blijkt dat met behulp van deze data landgebruikskaarten zijn te maken van de verschillende gewastypen. Er is te zien hoe gezond een gewas erbij staat en of de boer moet ingrijpen. Ook is de hoeveelheid vocht in de grond waarneembaar.
 
Sentinel-1 bestaat uit twee satellieten. De eerste, Sentinel-1a, wordt in mei 2013 gelanceerd. Anderhalf jaar later volgt zijn broertje Sentinel-1b. Samen zijn de satellieten in staat elke zes dagen een wereldwijde radarkaart te maken van de aarde
 
Ronnie de Hoon
 
 
 
 
Meststoffen gebruik
 
In de Nederlandse wetgeving zijn veel verschillende regels gesteld aan het gebruik van meststoffen op landbouwgronden. Zo mag u bijvoorbeeld verschillende meststoffen in het najaar niet meer uitrijden, maar wel op uw bedrijf in voorraad nemen voor het volgende jaar. Een compleet overzicht van de regels rondom het uitrijden van meststoffen ziet u in bijgevoegde grafiek.
 
Bron Agrifirm Plant
 
 

 

7 sept. 2011

Broccoli,

Afgelopen seizoen was het weer spannend hoeveel zaden Sirtaki erop de markt zouden komen en wanneer ze beschikbaar kwamen. In het vroege segment doet dit ras het eigenlijk in bijna heel Noord Europa erg goed en zijn de telers zeer tevreden. Wij hebben wel als voordeel dat we hier vroeg zaaien in de aller-moeilijkste tijd van het seizoen. Dit betekent dat we zoveel mogelijk proberen de beste kwaliteiten zaden zo snel mogelijk naar Nederland te halen. In Polen bijvoorbeeld zaait men rond eind januari, dus daar hebben ze de zaden later nodig en kan men met een iets mindere kwaliteit wegkomen.
 
Voor het komende seizoen is er al een nieuwe oogst al binnen en de kwaliteiten zien er goed uit. We hebben nog niet de gehele forecast binnen, maar de verwachting is dat het niet zo spannend zal worden als vorig jaar. Toch is het verstandig om tijdig uw bestelling te plaatsen bij de plantenkweker zodat hij op tijd kan beginnen met de planning.
 
Problemen met holle stelen.
Door de koelere omstandigheden en plotselinge temperatuursschommelingen krijgen we te maken met groeistoten. Deze groeistoten kunnen sommige rassen maar moeilijk 'handelen' en geven daardoor holle stelen.
 
Ook zien we door de mindere groei en langere, nattere perioden van de dag veel smet voorkomen in de gewassen. Dit kan voor een groot gedeelte worden voorkomen door iets ruimer te planten, voorzichtig met de stikstof te zijn en de juiste rassenkeuze te nemen.
Het ras Koros heeft zijn scherm hoog in het gewas zitten en behoudt een behoorlijke groeisnelheid. in koelere omstandigheden, dus het kan een overweging zijn onder deze omstandigheden en later in het seizoen.
 
Er zijn natuurlijk altijd omstandigheden waarin rassen beter en slechter presteren dan andere rassen, het is daarom zaak om rassen eerst goed te testen op uw omstandigheden.
 
Frans van der Ploeg (Nickerson-Zwaan)
 
 
2012: Coating, phytodrip of dummypil
 
“ We moeten kiezen voor 2012”, daarmee doelde Paul Goorden (Cebeco Agrochemie) tijdens een excursie van LTO Vollegrondsgroente.net, op het uitblijven van Admire traybehandeling in 2012.
 
Dit jaar hebben we in de koolteelt nog een vrijstelling gekregen voor Admire traybehandeling. Met de komst van Movento is die kans in 2012 veel kleiner. We zullen dus als koolteler moeten kiezen voor alternatieve bescherming. De keuze moet gemaakt worden of we gaan voor gaucho coating, phytodrip of dummypil.
 
Al enkele jaren achtereen werd er door het CTGB een vrijstelling afgegeven voor Admire traybehandeling. Deze vrijstelling werd ieder jaar aangevraagd door LTO Nederland en was mogelijk vanwege een erkende knelpunt. Admire mocht daarbij 1 keer per jaar ingezet worden als traybehandeling in de periode vanaf 1 februari tot 30 juni. Met de komst van Movento en het gebruik van gaucho aan de basis is een erkenning van het knelpunt minder zeker. De koolteler moet dan ook dit jaar een keuze gaan maken tussen de alternatieven: phytodrip, coating of dummypil.
 
Vanuit LTO Vollegrondsgroente.net zal er overleg gepleegd worden met de verschillende zaadhuizen naar de mogelijkheden. Enkele vragen daarbij zijn o.a.:
·         Heeft coating een toxisch effect op de plant
·         Wat zijn de mogelijkheden bij de zaadhuizen
·         En wat zijn daar de wensen
 
Afhankelijk van de omstandigheden zal het gewasbeschermingplan er in 2012 anders uit zien als de voorgaande jaren. Met een goede keuze kan men echter ver komen.
 
Ronnie de Hoon
 
 
 
Ziek en zeer

Slakken
 
Momenteel worden in veel percelen slakken waargenomen. Zowel in jonge aanplant als in kool dat bijna oogst klaar is. Voer liefst voordat slakken in het gewas zitten een bestrijding uit met 10 kg Brabant slakkendood of Caragoal. Afnemers vinden liever geen korrels in het geoogste product. Als slakken verwacht worden, strooi dan preventief. Strooi in ieder geval ruige perceelranden. Deze middelen zijn toegelaten tot 31 augustus. Daarna kan Ferramol toegepast worden. Mochten er toch slakken vanaf ongeveer een maand voor de oogst in het gewas zitten, pas dan de biologische Ferramol toe. De dosering is 15 – 25kg. Slakkenkorrels kunnen worden geblend met kunstmest.
 
 
Koolmot
 
De druk van de rupsjes van de koolmot (springrijpje, springrupsje) is sinds week 27 toegenomen. Gezien de recente weersomstandigheden: droog, warm weer met weinig neerslag, mocht verwacht worden dat de druk alleen maar is toegenomen terwijl de werking van de middelen terug begint te lopen. Doordat de rupsjes in het hart zitten, is de bestrijding moeilijk en dient de bespuiting soms herhaald te worden. Controleer uw gewas dus enkele dagen na het spuiten om het resultaat van de bespuiting te bekijken. Gebruik een fijne druppel en voldoende water om zo goed mogelijk in het hart te komen. Als er maar enkele rupsjes worden gevonden, adviseren wij een combinatie van een pyrethroide (Karate, Sumicidin of Decis) met een uitvloeier bijvoorbeeld Zipper (10 ml/100 liter) of Uitvloeier H (20-30 ml/100 liter). Spuit met de huidige, hogere temperaturen alleen ’s ochtends vroeg op een niet te nat gewas of ’s avonds laat. Als er volop rupsjes in het gewas worden gevonden, voeg dan één van de volgende specifieke rupsenmiddelen toe aan de pyrethroide: Steward (85 gram/ha), Nomolt (0,4 liter/ha) of Tracer (0,2 liter/ha). Als Tracer op de tray is toegepast, mag op het land nog maar één keer Tracer worden gespoten. Controleer ook uw percelen met Tracer op de tray omdat de werking 5 weken na het planten begint af te nemen.
 
 
Mangaangebrek
 
Mangaangebrek komt vooral voor op gronden met een hoge pH en/of een hoog organisch stofgehalte en bij aanhoudend droog weer.
 
Mangaan is belangrijk voor de ademhaling en de vorming van bladgroen. Mangaangebrek is het eerste zichtbaar in de jongste bladeren en kan leiden tot kwaliteit en opbrengstverlies. Een tekort aan mangaan is vrij makkelijk te verhelpen door enkele bladbespuitingen uit te voeren met de juiste Mangaan bladmeststof.
 
Nico Bakker
 
 
Insectendodende aaltjes bieden perspectief voor bestrijding van de koolvlieg
 
Insectendodende aaltjes kunnen op termijn ingezet worden voor de bestrijding van koolvlieg in de teelt van diverse koolsoorten. Daarmee kan wellicht op de inzet van insecticiden worden bespaard. Dat blijkt uit het onderzoek van Eva Brusselman aan het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO) in samenwerking met het onderzoeksinstituut Inagro in Beitem en de Universiteit Gent. Op 1 juli promoveert Brusselman op basis van haar onderzoek.
 
Insectendodende aaltjes kunnen een alternatief vormen voor insecticiden. Een essentiële voorwaarde is daarbij dat ze onbeschadigd op de juiste plaats terechtkomen. Brusselman focuste in haar onderzoek op die problematiek. Zij onderzocht welke effecten de toediening via een landbouwspuit kan hebben op de overleving van de aaltjes en hun verdeling op het gewas. Insectendodende aaltjes, die van nature insecten aanvallen in de bodem, zijn in dat kader bruikbaar voor bodemtoepassingen, maar minder makkelijk voor bladtoepassingen, stelde zij vast.
 
Omdat de aaltjes zwaarder zijn dan water, moeten ze in de spuittank blijvend gemengd worden. Ze kunnen ook sterven door een snelle temperatuurstijging in de tank. Er zijn tevens aanpassingen aan de spuit nodig, zodat de organismen dicht bij het insect terechtkomen. De aaltjes kunnen op grote schaal geproduceerd worden, maar zijn voorlopig wel duurder dan andere gewasbeschermingsmiddelen.
 
Voor bladtoepassingen zijn er nog andere problemen, zo bleek uit het onderzoek. Rupsen zitten vaak aan de onderkant van het blad en daar moeten de aaltjes terecht komen. Ze hebben water nodig om zich te verplaatsen op het blad en drogen snel op. Daarom is een goede techniek voor de toediening cruciaal om het gewenste effect van de gewasbehandeling te krijgen.
 
bron: VILT
 

 

Movento sterk tegen koolgalmug
 
Telers van bloemkool en broccoli worden ondanks zaadcoating of traybehandeling met imidacloprid nog steeds geconfronteerd met grote uitval door aantasting van de koolgalmug (Contarinia nasturtii). In 2008 en 2009 zijn in opdracht van de landelijke gewascommissie broccoli via het PT door Proeftuin Zwaagdijk de mogelijkheden onderzocht van met name gewasbespuitingen om de koolgalmug te bestrijden. Hieruit kwam Movento van Bayer goed naar voren. Het lastige is het goed plannen van de bespuitingen. Het doel van twee proeven in 2011 is het onderzoeken of het spuiten aan de hand van signalering van de koolgalmug op feromoonplakvallen de effectiviteit van de bespuitingen door een betere timing kan verbeteren. Dit onderzoek wordt gefinancierd door telers van bloemkool en broccoli via het Productschap Tuinbouw.
 
Bij René Verdonk op een perceel in Zwaagdijk en bij Kees Appelman in Andijk werden Karate Zeon, Movento en nieuwe middelen met elkaar vergeleken. De bespuitingen werden op vaste tijdstippen of op basis van de vangsten uitgevoerd.Er werden twee spuitdrempels gehanteerd: bij 10 of bij 20 koolgalmug mannetjes per val per week. Hiervoor werden de plakvallen driemaal per week verwisseld en onder een binoculair nagekeken op de aanwezigheid van koolgalmug. Aan de hand van specifieke kenmerken zoals kleur, het aantal segmenten en vorm van de atennes en de adering van de vleugels
 
De proeven met het ras Montop werden half mei uitgeplant. Een deel had een Admire trayplaat behandeling gekregen. Binnen een week na het planten werd gestart met de vast spuitschema’s. De koolgalmug verschijnt normaal tweede helft mei, begin juni, maar door het warme voorjaar werd de 1e vlucht relatief vroeg verwacht. De eerste koolgalmuggen werden op beide locaties gevangen op 30 mei. Opvallend was de vlucht vooraan bij het perceel van Kees Appelman: alleen op 3 juni werden hier 33 muggen geteld. In de weken voor en na deze zware infectiedruk werden tot 27 juni geen koolgalmuggen meer aangetroffen. Bij René Verdonk liet de tweede vlucht zich pas 8 juli zien, tussendoor werden slechts enkele muggen gevangen. Pas in de laatste week van juni werden de symptomen van de aantasting zichtbaar; Het eerst in Zwaagdijk, later ook in Andijk. In Zwaagdijk was de aantasting in het begin nog vrij licht, in Andijk was direct duidelijk dat de aantasting zwaar was.
In Zwaagdijk viel de bespuiting volgens spuitdrempel 1 in week 2 en volgens spuitdrempel 2 in week 3. In Andijk vielen beide spuitdrempels in week 3 waardoor alle behandelingen met Movento gelijk werden gespoten.
De resultaten van de proef in Andijk en Zwaagdijk tot aan de oogst staan in de tabel. In de tabel zijn de spuitmomenten aangegeven in weken na planten.
 
Tabel 1. Percentage planten met aantasting door de koolgalmug, Proeftuin Zwaagdijk / Productschap Tuinbouw.

 

nr.
behandeling
spuiten
Andijk 30-6
Andijk 11-7
Zwaagd. 13-7
1
onbehandeld
-
73
fg
80
de
34,9
f
2
Admire (5 g / 1.000 pl)
-
20
abc
21
bc
9,3
ab
3
Karate Zeon (50 ml)
na pl + 2, 4, 6 weken
52
e
78
de
14,4
abcde
4
Admire + Karate Zeon
na pl + 2, 4, 6 weken
4
a
10
ab
5,2
a
5
Karate Zeon
spuitdrempel 1
55
ef
75
de
11,9
abcde
6
Karate Zeon
spuitdrempel 2
46
de
73
de
20,5
de
7
Movento (500 ml)
3 + 5 weken
24
bc
15
ab
9,6
abc
8
Admire + Movento
3 + 5 weken
11
ab
6
a
5,1
a
9
Movento
spuitdrempel 1
24
bc
32
c
6,6
a
10
Movento
spuitdrempel 2
32
cd
32
c
13,8
abcde
11
Movento of Karate Zeon
spuitdrempel 2 of 1
23
bc
36
c
10,0
abcd
12
Exp. 1
4x
60
efg
72
de
20,1
e
13
Exp. 2
4x
60
efg
82
de
18,9
cde
14
Exp. 3
2x
13
ab
5
a
7,0
ab
15
Admire + Movento of Decis
na pl, 1, 2, 3, 5, 6 w
2
a
4
a
6,6
a
16
Exp. A
4x
51
e
68
d
11,5
abcd
17
Exp. B
2x
75
g
87
e
17,6
bcde

 

Als een van de letters van een behandeling overeenkomt met een andere behandeling dan is het verschil tussen deze twee behandelingen niet betrouwbaar.
 
Zowel in Andijk als in Zwaagdijk voldeed alleen Admire vrij goed. Dit is te verklaren door dat de eerste vlucht al twee weken na het planten was, waardoor de bescherming nog optimaal was. In Andijk was de meerwaarde van aanvullende bespuitingen met Karate Zeon (altijd met 0,1 l/ha Agral Gold) of Movento naast de Admire behandeling duidelijker zichtbaar dan in Zwaagdijk. Wel wordt verwacht dat door de tweede vlucht in Andijk nog veel schermen door de koolgalmug worden misvormd.
In Andijk waren bespuitingen om de twee weken met Karate en de meeste experimentele middelen volstrekt onvoldoende, maar in Zwaagdijk beperkten alle behandelingen de aantasting door de koolgalmug ten opzichte van onbehandeld.
 
Onder de hoge druk in Andijk bleek dat Movento van de spuitmiddelen het sterkste was. Uit de bespuitingen op basis van de vangplaten bleek dit jaar dat de tweede spuitdrempel te hoog was om schade te voorkomen. Ook op basis van de werking van Movento (het duurt enkele dagen voordat het middel via het blad en wortels naar het groeipunt wordt getransporteerd) en de korte levencyclus van de koolgalmug (10-14 dagen) is duidelijk dat Movento kort na aanvang van een vlucht in de plant dient te zitten.
 
Het Bayer schema (behandeling 15) waar naast een basis met Admire en twee bespuitingen met Movento -3 en 5 weken na het planten- de bestrijding van de koolgalmug is dichtgetimmerd door voor en na Movento Decis te spuiten kwam op beide plaatsen goed uit de verf.
 
Het signaleren van de vlucht geeft heel goed aan wanneer er niet hoeft te worden gespoten, dit bespaard tijd en geld. Ook kan bij het waarnemen van een vlucht besloten worden intensiever te spuiten. Weten wanneer de koolgalmug er is geeft bovenal ook rust om een op warme windstille avond mooi te gaan zitten in plaats van je steeds af te vragen: zal ik nu nog moeten spuiten?
 
Jan de Lange, Proeftuin Zwaagdijk
 
Figuur 1. Vlucht koolgalmug bij 5 verschillende feromoonvallen.
 
 
Restricties bij gebruik Mundial tegen bladluizen
We willen u als koolteler op het volgende attent maken: Indien u gebruik maakt van kool opgekweekt uit met Mundial behandeld zaad dient u bladluizen zodanig te bestrijden dat er geen honingdauw wordt gevormd. De werkzame stof van Mundial is fipronil en deze wordt door de koolplant opgenomen. Hierdoor wordt de koolplant beschermd tegen vraat van de koolvlieg. Naast de koolvlieg kunnen koolplanten ook worden aangetast door bladluizen. Bladluizen kunnen uit koolplantensappen honingdauw produceren, dit kan aantrekkelijk zijn voor bijen. Het kan niet helemaal worden uitgesloten dat sporen van fipronil in de honingdauw aanwezig zijn. Om te voorkomen dat bijen zelfs aan deze sporen van fipronil worden blootgesteld, dient u bladluizen zodanig te bestrijden dat honingdauw niet wordt gevormd.
 
Bron: BASF
 
 
Onkruidbestrijding
 
Doordat in veel gevallen er na een Butisan/Centium bespuiting (tot week 27) weinig neerslag is gevallen, kan de werking onvoldoende zijn. Ook na een bespuiting onder ideale omstandigheden is regelmatig neerslag nodig om de bodemherbiciden goed in contact te laten komen met kiemend onkruid. Een herbehandeling met Lentagran kan dan nodig zijn. Lentagran WP is een bladherbicide met contactwerking. Het bestrijdt eenjarige tweezaadlobbige onkruiden zoals zwarte nachtschade, melganzevoet, muur, klein kruiskruid en kleine brandnetel. Kamille wordt alleen in het kiembladstadium bestreden. Varkensgras en veelknopigen zoals zwaluwtong en perzikkruid worden zonder mengpartner niet bestreden. Een toevoeging van Centium kan op kleine onkruiden de werking van Lentagran hierop verbeteren. De dosering op kool met minimaal 6 blaadjes is 1 - 2kg. Zijn de onkruiden in het kiemstadium kan een lagere dosering al effectief zijn. Als in dat geval nog geen Butisan is gespoten kan 0,5kg Lentagran gemengd worden met 2L Butisan. Uit proeven is aangetond dat 1,5L Butisan per ha de ondergrens is wil er afdoende werking vanuit gaan. Uit proeven is aangetoond dat 1,5L Butisan per ha de ondergrens is wil er afdoende werking vanuit gaan Bij het middel Kerb Flow dient de nodige voorzichtigheid in acht te worden genomen. De toelatingshouder Belchim heeft in zijn toelatingsonderzoeken nooit de symptomen gezien die bij een aantal telers dit jaar wel naar voren kwamen in de vorm van afwijkende planten. Men zal daar dus ook uitgebreid onderzoek gaan doen naar de oorzaak van wat wij dit jaar gezien hebben, zodat we in komende jaren een goed advies kunnen geven omtrent het gebruik van dit middel. Daar waar mogelijk, is schoffelen is een goed alternatief.
 
Nico Bakker

 

11juli 2011

Vroege broccoli vindt zijn weg.

In het teeltgebied West Friesland ( net als in andere gebeiden) zijn de eerste broccoli percelen geoogst. Mede door het vroege voorjaar waren de eerste broccoli zo n twee weken eerder op de markt dan voorgaande jaren. Dit resulteert tot nu toe niet alleen in een vroeg seizoen maar mogelijk ook in een lang seizoen met een gespierdere aanvoer wat mogelijk kan leiden tot goede prijzen. De planten van nu zijn inmiddels door een ander weertype goed aan de groei.
 
Veel telers gebruikten agryl als afdekmateriaal. Afdekken van de vroegste planten blijft noodzakelijk, dit omdat de planten anders door duiven, ganzen en hazen verloren gaan. Op de foto is te zien dat de hazen zelfs door het agryl doek eten! Het vervelende is dat hierdoor het doek zo beschadigd raakt dat het wellicht komend seizoen niet meer gebruikt kan worden. Voor de iets latere plantingen wordt ook micro-klima (windscherm) doek gebruikt. Dit gaat veel langer mee, maar geeft minder vervroeging. De schade aan wildafweermiddelen valt nog steeds niet te verhalen bij het faunafonds wat dus kan leiden tot een flinke extra kostenpost.
 
Voor de onkruidbestrijding wordt veelal Butisan S gebruikt (direct na het planten, voor het afdekken op nog vochtige grond) in combinatie met of Centium. De weggroei en de stand onder doek is vooral goed op de iets later geplante humusrijke percelen (goede structuur en warmer).
 
Voor de vroegste broccoli hebben worden de soorten Sirtaki, Milady en Aquiles gekozen. gekozen. Sirtaki is enkele dagen vroeger en iets uniformer dan Milady.
De opkweek van vroege broccoli is ook dit jaar niet gemakkelijk geweest. Broccoli moet warm opgekweekt worden. Door de vroege koude winter hebben de plantenkwekers dan ook meer kosten moeten maken om goede planten te leveren. Ook kwamen een aantal keren pittige vorstnachten voor wat voor flink wat schade heeft gezorgd. Dit jaar komt dan ook veel meer hartloosheid en zwart poten in de broccoli voor dan de afgelopen jaar.
 
Nico Bakker

 

Heeft Vloeibare kunstmest de toekomst?
 
Kunstmest strooien in de teelt van vollegrondsgroenten is ouderwets. De toekomst is aan vloeibare kunstmest. Dat is de visie van Van Iperen, meststoffenleverancier in Westmaas.
 
De teler van nu wil kunstmest in steeds grotere banen strooien, waardoor het moeilijker wordt ook kopeinden, gerende percelen en slootkanten op de juiste manier te bemesten. Door de strikte regelgeving mag bovendien minder worden bemest en dat vereist steeds meer precisie. Vloeibare kunstmest biedt hier uitkomst. Moderne
technieken maken het mogelijk deze meststoffen nauwkeurig te doseren, veel nauwkeuriger dan bij strooien.
 
Ruimte voor Organische meststoffen
Door de mestwetgeving is het belangrijk een goede balans te vinden tussen aanvoer van organische mest en kunstmest. Nu ook fosfaat meeteelt, gaat elke kilo fosfaat die met kunstmest wordt gegeven af van de hoeveelheid die met organische meststoffen mag worden toegediend. Die organische stof is nodig voor de vruchtbaarheid van de grond. Het zorgt voor een goed bodemleven en dient als een buffer voor mineralen. Met andere woorden: hoe efficiënter kunstmest kan worden ingezet, des te meer organische meststoffen kunnen worden gegeven. Dat gegeven wint verder aan belang omdat de normen voor bemesting verder dalen. De ruimte voor de inzet van organische meststoffen wordt daarmee steeds krapper.
 
Fosfaat
De fosfaatgift kan worden beperkt door de plaatsing ervan te verbeteren. Fosfaat beweegt niet in de bodem en moet dus dicht op het zaad of de plant of zelfs in de
zaaivoor worden gebracht. Met korrels gaat dat moeizaam. Het kan, maar het leidt tot problemen door stof en vocht, waardoor het lastig is exact te doseren. Met vloeibare kunstmest is dat wel exact uit te voeren, dankzij pomp en computer.
 
Spelen met stikstof
Voor een hogere efficiëntie kan ook stikstof bij de plant worden gebracht. In het ene gewas is het effect van een nauwkeurige plaatsing veel positiever dan in het andere. Dit is afhankelijk van het soort gewas, het groeipatroon en de manier van beworteling. Een teler kan spelen met de vorm waarin hij de stikstof geeft: als Nitraat, Ammonium of Ureum. Die gedragen zich verschillend in de grond en gewassen reageren er ook verschillend op. Johan Aarnoudse van Van Iperen: “Je kunt de groei sturen door de gewenste elementen op maat aan te bieden. Je geeft niet meer standaard KAS, maar speelt met de verhoudingen.” Van Iperen heeft (in samenwerking met collega-toeleveranciers Mol Agrocom en Ten Brinke) voor vloeibare bemesting de Powerline ontwikkeld. Powerline bestaat uit een reeks vloeibare meststoffen, uitgesplitst in Powerstart, Powerbasic en Powerleaf. Elke productgroep bestaat uit verschillende samenstellingen. Kijk voor meer informatie op www.powerlinemeststoffen.nl
 
Nico Bakker

 

Ziek en zeer   

Het groeiseizoen is in volle gang. Zoals ieder seizoen zijn er weer ziekten en plagen die extra aandacht nodig hebben. N. van Langen van CAV Agrotheek signaleert de volgende zaken die onder de aandacht moeten blijven.
 
Bladwesprupsen
Rupsen in de kool zijn niet altijd een larvestadium van een vlinder. Ook larven van bladwespen kunnen voorkomen. De aantasting blijft meestal beperkt tot enkele regels aan de kant van een perceel waar veel onkruid staat.
 
Klein koolwitje en Plutella
Momenteel neemt de populatie rupsen gestaag toe. Op een jong, open gewas is momenteel een Pyrethroïde met uitvloeier meestal voldoende. Zodra de rupsen schuil zitten en de hoeveelheid rupsen boven de schadedrempel komt, is Tracer het enige middel dat voldoende gewasbescherming biedt.
 
Trips
Nog nooit is er zo vroeg in het seizoen melding geweest van trips in kool. In een perceel vroege spitskool is al een behoorlijk zware aantasting door trips gevonden. De tripsen houden zich schuil onder de buitenste bladeren. De tripsen zuigen de celinhoud leeg. Dit zijn eerst geelgroene vlekken, die zich later vullen met lucht. Dit heeft de witte vlekjes op de bladeren tot gevolg. Een deel van de schade is ook veroorzaakt door het afzetten van de eitjes in een door hen gemaakte opening in het bladweefsel. De groei van de kool heeft er niet rechtstreeks onder te lijden. De schade is cosmetisch. Afpellen van de aangetaste bladeren kost tijd en gewicht. Bij Spitskool is afpellen door de structuur van de kool beperkt mogelijk.
 
Gewasstand
Veel percelen kool staan ongelijk. Deze ongelijke gewasontwikkeling kan veroorzaakt worden door zwartbenigheid, maden of droogte. Als er regels ten opzichte van elkaar ongelijk staan of zelfs afsterven, komt dat omdat de ene rij wel aanslaat en de andere niet of later. De oorzaak is een combinatie van droogte en regionale structuurverschillen. Bijvoorbeeld een oude ploegveur die nog niet goed uitgezakt is. De kopeg of frees trekt ogenschijnlijk de bouwvoor vlak. Toch kan de hoge kant van de ploegveur beter bezakt zijn dan de lage kant, want hier komt meer losse grond in. Ook op bonte percelen zijn verschillen zichtbaar. Bijvoorbeeld lichte, zanderige stroken staan vaak minder vitaal dan de zwaardere stroken. Planten die doodgaan zijn veelal te laat beregend. De kluit is al helemaal uitgedroogd geweest en neemt na beregening geen water meer op. Aanslaan, dus vanuit de kluit in de omringende grond geworteld zijn, is in droge perioden een week na planten van vitaal belang. 
 
Wanneer beregenen?
Achteraf zijn sommige percelen te laat beregend of is per keer te weinig beregend of is er te weinig herhaald. In de bloembollenteelt wordt een perceel soms wel 9 keer beregend. Enkele kwekers maken bij het bepalen wanneer het rendabel is om een beregening uit te voeren, gebruik van software gekoppeld aan bodemsensoren die in het gewas zijn geplaatst. Op basis van wortelontwikkeling, vochtspanning en weersverwachting wordt een advies uitgebracht. Een goedkoper en handig hulpmiddel is een vochtspanningsmeter. Zo kan snel bepaald worden of het nodig is om te beregenen en als er beregend moet worden welk perceel prioriteit moet krijgen. In groentegewassen zoals kool kan dit een handig hulpmiddel zijn.
 
Nico van Langen Agrotheek

 

30 mei 2011  Stikstofdynamiek belicht: NDICEA

Afgelopen jaren is het een en ander aan onderzoek gedaan naar methoden om in de grond aanwezige N te voorspellen. Een van de best uitgewerkte modellen is het NDICEA model. Nitraatrichtlijn en kwaliteitseisen uit de markt zullen meer en meer druk leggen op het gebruik van stikstof door de planten.
 
Bemestingsplan
Als teler van vollegrondsgroentegewassen bent u primair geïnteresseerd in de vraag of er komend seizoen voldoende stikstof beschikbaar zal zijn voor uw gewassen om de beoogde opbrengsten te kunnen realiseren. U maakt daarbij gebruik van uw ervaring, van inschattingen en van berekeningen. In deze berekeningen betrekt u of uw adviseur de verwachte stikstofnalevering van voorvrucht, groenbemester en organische mest van voorgaand seizoen, en u verrekent de werkingscoëfficiënt van geplande organische bemestingen. Dan blijven er toch nog drie onbekenden over:
• Hoeveel stikstof levert de bodem zelf?
• Kloppen de cijfers uit de tabellen voor stikstofnalevering voor mijn bodem, mijn percelen?
• Wat is de invloed van het weersverloop op de stikstofbeschikbaarheid?
Deze drie onbekenden kunnen in beeld komen door gebruik te maken van het computerprogramma NDICEA, ontwikkeld door Louis Bolk Instituut en Wageningen UR. U maakt in dit programma gebruik van tenminste twee jaar voorgeschiedenis en van actuele, regionale weersgegevens. Samen met enkele N-mineraal metingen als toetssteen levert dat betrouwbare en perceelspecifieke informatie op. Hiervan kunt u gebruik maken bij het opstellen van het bemestingsplan, zowel gewasgericht als vruchtwisselinggericht. De N-efficiëntie van uw bemesting kunt u ermee verhogen.
 
Werking van het model NDICEA.
Mineralisatie van stikstof uit humus en uit recent aan de bodem toegevoegde organische stof zoals gewasresten, groenbemesters en organische mest is een proces van jaren. Het cumulatieve effect kan flink
oplopen. Bij gebruik van NDICEA wordt minstens twee jaar voorgeschiedenis meegenomen: geteelde gewassen en groenbemesters en alle uitgevoerde bemestingen. Per soort organische stof rekent het programma vervolgens in stappen van één week uit wanneer hoeveel stikstof beschikbaar komt. Daarbij wordt rekening gehouden met
• de soort organische stof en het stikstofgehalte ervan;
• de grondsoort, zoals textuur en pH;
• temperatuur en neerslag.
De beschikbaar komende stikstof wordt gezet naast de verwachte stikstofopname door het gewas, en daarmee is meteen de primaire vraag van de teler belicht: krijgt mijn gewas voldoende stikstof ter beschikking?
 
Korte en lange termijn
Naast dit korte termijn belang kunt u met NDICEA ook zicht krijgen op twee zaken op langere termijn: waar en wanneer verlies ik stikstof, en hoe zit het met de bodem organische stof op termijn? Verliezen van stikstof treden met name op door uitspoeling en daarnaast door denitrificatie. Denitrificatie is meestal veel geringer dan uitspoeling, en denitrificatie is moeilijk door teeltmaatregelen te beïnvloeden. Uitspoeling daarentegen is in principe tot op zekere hoogte stuurbaar en sturen begint met inzicht waar sturen nodig is. De informatie daarover levert NDICEA. Het sturen zelf kunt u ‘droog’ oefenen: door aangepaste teeltmaatregelen in het programma in te voeren en het resultaat te vergelijken met de oorspronkelijke situatie.
 
Leerzaam.
Ook de echt lange termijn, namelijk het verloop van het organische stofgehalte, wordt in beeld gebracht. Als blijkt dat u een dalende tendens op uw percelen heeft kunt u ook hier ‘droog’ oefenen: wat zou de
bijdrage zijn van de introductie van een groenbemester, van stro inwerken, van compostgiften? Intikken, doorrekenen, beoordelen: 5 minuten en u bent wat wijzer geworden.
 
Perceel kalibratie
De uitslag van een computermodel wordt betrouwbaarder als die uitslag getoetst wordt aan de werkelijkheid. Deze toets kan binnen NDICEA plaatsvinden door op uw percelen N-mineraal metingen uit te voeren. Het niveau N-mineraal is op ieder moment het resultaat van wat er bij komt (mineralisatie, neerslag, bemesting) en wat er verdwijnt (denitrificatie, uitspoeling, gewasopname, immobilisatie ), en dat is de kern van NDICEA. U bent misschien gewend in het voorjaar een N-mineraal meting uit te laten voeren. Om NDICEA perceelspecifiek te kalibreren heeft u minstens drie metingen verspreid over het jaar nodig. Als blijkt dat het model het verloop van N-mineraal goed beschrijft kan het volgende jaar volstaan worden met een check vlak voor zaaien of poten.
Benodigde informatie
Het computerprogramma is zo opgezet dat u in één oogopslag ziet welke informatie er van u gevraagd wordt: regio, bodemeigenschappen, opeenvolgende gewassen en uitgevoerde of geplande bemestingen. De informatie, die u invult weet u uit het hoofd of kunt u terugvinden in de bedrijfsadministratie. Er zijn geen aanvullende metingen nodig,
 
Waarom gebruiken?
U kunt er wijzer van worden als u het programma gaat inzetten. Als u gebruik maakt van de volle 170 kg per hectare uit dierlijke mest die toegestaan is, dan zal NDICEA u vooral tonen waar en wanneer de verliezen door uitspoeling van stikstof plaatsvinden. Indien u gemotiveerd bent om te zoeken naar mogelijkheden om de verliezen te beperken kunt u dat deels binnen NDICEA verkennen. Het effect van de introductie van een groenbemester kunt u snel aflezen. Het effect van een verminderde mestgift, in geval van een teelt waarbij de stikstofbeschikbaarheid ruim boven de behoefte ligt, kunt u echter niet direct aflezen. U kunt wel zien of er rekenkundig nog genoeg stikstof beschikbaar zal zijn en u kunt ook zien of de uitspoeling afneemt, maar u kunt niet zien of de opbrengst overeind blijft. Dat kan het model niet uitrekenen. Daar kunt u misschien wel zelf een inschatting van maken: hoeveel stikstofbuffer in de grond heeft dit gewas nodig om lekker te kunnen blijven groeien? Wat weer wel kan is een berekening maken van wat er zou gebeuren als het 25% of 50% boven normaal zou regenen. Deze extreme weersomstandigheden kunt u instellen als test: kan mijn bouwplan tegen extra neerslag, of gaat er dan zoveel stikstof door uitspoeling verloren dat de verwachte opbrengst in gevaar komt? Als u juist heel zuinig bemest en iedere kilo stikstof telt, kan het model u helpen in de fijnafstemming. Schuiven van gewassen in de rotatie of timing van de bemesting kunt u achter uw bureau doorrekenen om vervolgens het beste alternatief in praktijk te testen.
 
Doen of laten doen
Het programma kunt u zonder kosten ophalen vanaf www.ndicea.nl. Daar staat ook een handleiding en andere aanvullende informatie. Dat is voldoende om er zelf mee aan de slag te kunnen gaan.
 
Verzameld door Nico Bakker

 

Chemische onkruidbestrijding heeft het moeilijk.
Door de droge omstandigheden van de laatste weken heeft de chemische onkruidbestrijding het moeilijk in de diverse teelten. Door het achterwege blijven van vocht is de verdeling van de middelen niet optimaal en de werking verre van goed te noemen. Hierdoor zijn diverse plantingen (met name onder doek) verscholen onder het onkruid ondanks dat er een chemische onkruidbestrijding heeft plaatsgevonden. Wel heeft men door de droge omstandigheden alle gelegenheid om een mechanische onkruidbestrijding uit te voeren, ga dan ook regelmatig uw gewassen na om te oordelen of een mechanische onkruidbestijding noodzakelijk is. Wanneer er te lang gewacht wordt, is deze niet meer uit te voeren zonder beschadiging van uw gewas.
De teelt kan met name op de zwaardere gronden nog niet geheel zonder chemische onkruidbestrijding. In een eerder gehouden onderzoek werd duidelijk dat chemie vaak onmisbaar is om de teelt vrij te houden van onkruid. Wanneer schoffelen door langdurige regenval onmogelijk is, wordt tevens duidelijk dat de bestaande middelen niet altijd in staat zijn om de percelen vrij te houden van onkruid. Het huidige aanbod van chemische middelen blijkt in deze omstandigheden te beperkt voor een schone teelt. Door het terugtrekken van Kerb is het op dit moment wachten op de toelating van een nieuw middel welke als welkome aanvulling op het huidige pakket kan worden gezien. Ook is duidelijk dat niet alle middelen zonder gevaar kunnen worden toegepast. Middelen toegelaten in andere teelten kunnen tot grote schade aan het gewas leiden. Voor meer informatie neem contact op met:
Nico Bakker

 

29 april 2011Puntemissies

In de landbouw geldt sinds 1999 het lozingenbesluit. Om de kans op depositie (neerslag) van spuitnevel in oppervlaktewater te verminderen zijn teelt- en spuitvrije zones, driftarme doppen, luchtondersteuning en het gebruik van sleepdoek voorgeschreven langs oppervlaktewater. Door deze maatregelen is de depositie van spuitvloeistof door drift met 90% afgenomen. Helaas namen de normoverschrijdingen met veel minder dan 90% af. De drinkwaternorm ligt op 0,1 milligram per 1000 liter. Dit is vergelijkbaar met 0,5 milliliter product (met een concentratie van 500g/l) in een 50 meter zwembad. Het gaat dus om zeer kleine hoeveelheden. Naast de diffuse emissie door drift zijn er nog een groot aantal oorzaken van emissie. Dit zijn vaak puntlozingen.
Puntlozingen worden veroorzaakt door de emissie van spuitvloeistof of middel op één punt. De risico’s van puntemissie zijn groot op vul- en spoelplaatsen van spuitapparatuur. Als een spuit wordt gevuld kan er iets fout gaan, waardoor puur middel of een hoeveelheid spuitvloeistof wordt gemorst. Bij de ontsmetting van bollen of het behandelen van plantgoed op verhardingen kan lekwater in de sloot of het riool terechtkomen. Bij het schonen van producten als prei, peen of aardappel kunnen residuen van gewasbeschermingsmiddelen met het spoelwater naar sloot of riool worden afgevoerd en uiteindelijk in het oppervlaktewater terecht komen. Tijdens het spuiten raakt spuitapparatuur vervuild met gewasbeschermingsmiddelen. Ook dit is een bron voor puntlozingen. Om puntemissies te voorkomen of te beperken, kunt u het volgende
doen:
• Vul de spuit op een vloeistofdichte vloer en voer eventueel gemorste spuitvloeistof of middel af als chemisch afval;
• Voer fust van bestrijdingsmiddelen volgens de regels af;
• Bij het reinigen van de spuitapparatuur komen spuitrestanten op de grond, voorkom hierbij dat dit water in het riool of oppervlaktewater kan stromen;
• Stal spuitapparatuur op onverhard terrein of onder een overkapping;
• Restanten van spuitvloeistof die in de tank achterblijven mogen over de akker worden verspoten. Deze mogen nadrukkelijk niet op verhardingen of in het riool worden geloosd.
Bedenk steeds dat machines en producten die met gewasbeschermingsmiddelen in contact zijn geweest een bron van puntemissie zijn.
 
Bron:diverse
 
 
 
Actualiteiten
Het plantseizoen voor broccoli is inmiddels weer begonnen, dat gaat gebaat met ziek en zeer in de teelt. Om dit te voorkomen of te verhelpen zijn hieronder een aantal zaken op een rij gezet:
Aangieten
Er zijn een tweetal traybehandeling mogelijk;
-       De toepassing van Imidacloprid (Admire) 5 gr/1000 planten werkt tegen aardvlooien en de eerste koolluizen.
-       De inzet van Spinosad (Tracer) 12 cc/1000 planten is effectief tegen de koolvlieg.
Het is belangrijk dat het gewas eerst nat gemaakt wordt bij toepassing van traybehandelingen alvorens de behandeling uit te voeren om direct daarna af te broezen. Het is namelijk belangrijk dat de middelen bij de wortel komen voor een optimaal resultaat.
Coating
Daarnaast is het mogelijk om gebruik te maken van een coatingstoepassing op het zaad. De werkzame stof imidacloprid heet dan Gaucho en werkt net als dezelfde stof bij aangieten tegen aardvlooien en de eerste koolluizen. De stof fipronil (Mundial) is effectief tegen de koolvlieg.
Insecten
Voor de koolgalmugbestrijding is dit jaar spirotetramat (Movento) toegelaten. Spirotetrmat is een nieuwe stof voor insectenbestrijding waaronder de koolgalmug. Er zijn goede ervaring bij bestrijding van koolgalmug door de eerste twee weken na het planten wekelijks lambda-cyhalothrin (Karate Zeon) 50 ml/ha te spuiten om de derde en vierde week iedere week een keer Movento toe te dienen.
Onkruid
Voor onkruidbestrijding zijn de volgende middelen beschikbaar:
Metazachloor (Butisan-S) dit kan toegepast worden op een onkruidvrije vochtige grond met 1-2 l/ha.
De combinatie 0,75l/ha metazachloor (Butisan-S) + 0,07-0,1 l/ha clomazone (Centium) kan op een droog gewas worden gebruikt.
Bij kleine onkruiden is een correctie met 0,5-1,5 kg/ha pyridaat (Lentagran) + 0,25 l/ha metazachloor (Butisan-S) aan te bevelen. Indien het nodig is deze behandeling herhalen.
Bij aanwezigheid van grassen is toediening van 1,5-2 l/ha tepraloxydim (Aramo) de beste oplossing.
Metazachloor (Butisan-S) kan dit seizoen nog met het oude etiket toegepast worden. De toevoeging met Grounded aan metazachloor heeft een bewezen betere werking. Het middel wordt door deze toevoeging beter vastgelegd in de toplaag. Daar kiemen de onkruiden.\
Slakken
Met slakkenbestrijding moet op tijd worden begonnen. Bij voorkeur voor het planten omdat er dan nog weinig voedsel is en waardoor de aanvangpopulatie tot een minimum kan worden beperkt. Het gevolg hiervan is dat gedurende de teelt veel minder slakken kunnen ontwikkelen. Ruige kanten zijn een goede overwinteringsplaats voor slakken. Deze plekken moeten in beheersing en bestrijding extra aandacht krijgen voor een optimaal resultaat. Metaldehyde (Caragoal) 7kg/ha is toegelaten in de periode van 1 maart tot 1 september. Daarnaast zijn ijzer(iii)fosfaat (Ferramol) 12-25kg/ha ijzer(iii)fosfaat (Sluxx) 7 kg/ha toegelaten tegen slakken.
 
Vincent Koeckhoven; Agrifirm Plant
 
  
 
 
Anders kijken naar de spuitmachine cursus veiligheid en teelt.
 
Veel aandacht gaat altijd uit naar de bespuiting van het gewas. Deze is dan ook direct van invloed op het resultaat en vertaald zich in kwaliteit. Items als hoe is de indringing naar het gewas en wat voor druppelgrootte en druk gebruik ik zijn van groot belang voor een goed resultaat. Ook wordt er gekeken of er een vol gewas staat, of om netjes alle grond te raken als er tegen onkruid gespoten wordt. Maar er zijn ook andere aandachtspunten. We spuiten om het middel op het veld of de plant te krijgen, maar soms komt een middel ook elders terecht. Steeds meer worden we met dit gegeven geconfronteerd doordat middelen worden aangetroffen in oppervlaktewateren Heeft dit ook uw aandacht?
Hoe gaat u om met de strook langs de sloot? Wordt die meegespoten? Is het gebruik van een vanggewas mogelijk en hoe gaat uw buurman hiermee om? Zomaar een paar vragen welke uw aandacht verdienen.
 Diverse telers kiezen de laatste jaren voor een strook langs de sloot die groen is. Dit heeft voordelen dat die strook meer draagkracht heeft als het gras wat ouder is, maar ook een kleinere kans op afspoeling of drift van het perceel naar de sloot toe. Ook aandacht voor residu dat op de spuitmachine achterblijft. Waar plaatst u de machine? Niet te kort bij de sloot, maar liefst ook niet op een verharde plaat, waar het putje in de sloot uitmondt. Daar wordt vaak niet bij stil gestaan. Als de spuitmachine binnen staat of op klei, zand of gras is er geen risico dat afspoeling plaatsvindt naar oppervlaktewateren. Ga de situatie op uw bedrijf eens kritisch na en doe dit met uw buurman en collega..
LTO Vollegrondsgroente.net bied u nu de mogelijkheid om samen met een aantal collega een cursus aan om al deze aspecten langs te lopen en zo met collega van gedachten te wisselen om degelijke puntbelastingen te voorkomen. De cursus wordt op locatie gegeven en duurt een dagdeel.
Voor meer info kunt u contact opnemen met Nico Bakker, uw gewasspecialist Broccoli.
 
Nico Bakker

 

28 febr. 2011 

 MOVENTO, een nieuw middel tegen moeilijk te raken insecten

 
Movento is een nieuw, volledig systemische insecticide behorend tot de groep van de ketoenolen met als werkzame stof spirotetramat. Het unieke werkingsmechanisme berust op de verstoring van de vetopbouw van insecten. Hierdoor is er geen kruisresistentie met andere insecticiden en is Movento dus een uitstekend middel in resistentie-management strategieën.

Movento wordt opgenomen in de plant en wordt zowel naar boven als naar beneden door de hele plant getransporteerd. Door deze unieke eigenschap zullen ook jonge onbehandelde bladeren, moeilijk te bereikbare delen van de plant en het wortelgestel van de plant uitstekend beschermd zijn. Movento heeft een zeer breed werkingsspectrum, en is effectief op o.a. bladluizen, wortelluis, melige koolluis, koolwittevlieg en koolgalmug
 
Spelregels voor toepassing Movento
-       MOVENTO bij voorkeur toepassen in een vroeg stadium van de ontwikkeling van een plaag
-       MOVENTO alleen toepassen op een actief groeiend gewas. Een verouderend of in stress verkerend gewas is niet goed in staat om de spirotetramat door de plant te verplaatsen, met onvoldoende opname door de insecten en onvoldoende afdoding tot gevolg.
-       Voor voldoende opname, MOVENTO alleen toepassen indien er voldoende blad aanwezig is.
-       MOVENTO apart toepassen, dus niet combineren met andere insecticiden, fungiciden, (blad)meststoffen of uitvloeiers.
 
Bij aantasting bladluis in kool.
·         Bij eerste aantasting bladluis starten met eerste bespuiting
·         Stel bij lage druk luis de bespuiting niet uit
·         Maximaal 2 bespuitingen met Movento per teelt
Dosering: 0,5 liter middel per hectare
 
 
Bij aantasting van koolgalmug in bloemkool en broccoli:
  • een behandeling van Movento uitvoeren in de 3-4de week na planten.
  • eventueel een tweede behandeling uitvoeren met een interval van 10-14 dagen.
  • In de eerste weken van de teelt een pyrethroide, zoals Decis toepassen
  • aan de basis een trayplaatbehandeling met Admire of een behandeling met Gaucho handhaven
Dosering: 0,5 liter middel per hectare
 
Nico Bakker
 
 
Mechanische onkuidbestrijding in kool
Koolpercelen onkruidvrij houden zonder dat er chemie aan te pas komt. Die prestatie leveren veel kooltelers ieder jaar weer. Niet omdat ze biologisch produceren of uit idealisme, maar omdat het effectief is. De kunst is om de mechanische onkruidbestrijding ook in de toekomst succesvol te blijven uitvoeren. De oppervlakte kool per bedrijf stijgt immers nog steeds. Voldoende capaciteit is belangrijk.
Kool kan een stootje hebben
Kool is een gewas dat met mechanische onkruidbestrijding gemakkelijk onkruidvrij is te houden. De plant heeft vanaf het begin van de teelt een voorsprong op het onkruid omdat kool geplant wordt in plaats van gezaaid. Bovendien kan de plant tegen een stootje. Er zit aan schoffelen, eggen en dergelijke ook een onzekere kant. Dat zijn de factoren grond en weer. Onder droge omstandigheden is een succesvolle onkruidbestrijding niet zo moeilijk te realiseren. Spannender wordt het als het werk zich ophoopt, het aantal werkbare dagen beperkt is en het onkruid maar groeit.
Goed planten
Een goede onkruidbestrijding begint bij het planten. Een koolplant Mechanische onkruidbestrijding kool moet recht en vast in de grond staan. Om dit te bereiken moet er zo diep mogelijk worden geplant als de grond en de plant toestaan. Zorg dat de grond rondom de plant stevig wordt aangedrukt. Het heeft de voorkeur om de plant in een geul te zetten. De eerst kiemende onkruiden kunnen dan kort na het planten al bedekt worden met grond.
Grootte plant bepaalt de machine
De periode kort na het planten waarin het eerste onkruid kiemt, is uitermate geschikt om te eggen. Bij goed plantwerk staat de kool stevig genoeg in de grond om dit aan te kunnen. De meest geschikte wiedeggen zijn de machines die de sporen van de plantmachine volgen. Ook als u geen eg gebruikt maar uitsluitend schoffelapparatuur inzet ter bestrijding van onkruid, is het belangrijk om snel na het planten te beginnen. De angst om planten onder te werken is vaak onterecht. Met aanpassing van de rijsnelheid is er in vrijwel elk gewas te schoffelen. Door gebruik te maken van intra-rijwieders zoals een vinger- en een torsiewieder in combinatie met schoffelen kunt u het effect verbeteren. Als de plantmachine de grond gelijkmatig aangedrukt achterlaat, werkt de schoffelmachine het beste. Zonder al te veel inspanning van de chauffeur kan er dan kort langs de planten worden gewerkt. Zorg dat de schoffelmachine niet alleen het onkruid goed bestrijdt, maar het perceel netjes achterlaat voor een volgende keer schoffelen of aanaarden. Zo moet de grond overal gelijkmatig los zijn, zodat de machine de volgende keer niet loopt te ‘zoeken’. Kool is door zijn stevigheid en bladstand uitermate schikt om aan te aarden. De losse grond wordt daarbij naar de rij gebracht en onkruiden worden bedekt. Wacht niet te lang met aanaarden. Het zijn juist de onkruiden die bij het aanaarden niet meer bedekt worden, die later boven het gewas uit groeien.
Tips
Begin tijdig: Nagenoeg alle teleurstellingen met mechanische onkruidbestrijding zijn terug te voeren op het te laat starten van de bewerkingen. Wie onder droge omstandigheden in de grond ‘roert’, ruimt altijd onkruid op. Laat geen werkbare dagen onbenut.
Eggen: Kies een brede eg. De ervaringen met eggen van 9 meter breed zijn beter dan die met een werkbreedte van 6 meter. Met een 6 meter brede eg moet u vaak op de aansluiting van twee werkgangen van het poten rijden. Dit rijdt moeilijker en het geeft meer problemen met de afstelling. Door de grote werkbreedte kan bovendien met een lage rijsnelheid toch een grote capaciteit gehaald worden. Langzaam rijden voorkomt op kluiterige grond het onderwerken van plantjes.
Schoffelen: Zorg voor een juiste rijafstand. Nauwkeurig schoffelen met bredere schoffels is mogelijk. Bij het schoffelen in combinatie met een vinger- of een torsiewieder is afstelling van deze apparatuur eenvoudiger en het effect beter. Schoffel niet dieper dan nodig is en niet dieper dan de vorige schoffelbewerking. Door te diep schoffelen worden nieuwe onkruidzaden naar boven gehaald en deze kunnen voor onnodig veel nieuw onkruid zorgen.
Aanaarden: Het aanaarden heeft naast het onderwerken van onkruid ook een functie ter versteviging van de plant. Bij spruitkool is dit belangrijk. Voer het aanaarden niet te laat uit. Het werken in grote gewassen geeft soms wortelbeschadiging. Daarnaast wordt er door de hoge rijsnelheid teveel aan het blad van de planten getrokken, waardoor ze juist minder stevig komen te staan en scheef geduwd worden.
Vaste sporen: Een rugje grond in de rijsporen is uit den boze. Ongelijke grond in het spoor maakt niet alleen de schoffelmachine maar ook de chauffeur en trekker stuurloos.
 
Bron: duurzaam telen begint bij jou
 
 
Gewis in vollegrondsgroente
 
Gewis staat voor “Gewasbescherming En Weer Informatie Systeem”. Gewis is een computerprogramma dat u helpt het juiste spuitmoment te bepalen bij de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Er bestaat een sterke relatie tussen het weer en het effect van gewasbeschermingsmiddelen. De weersomstandigheden rondom het moment van de bespuiting bepalen het verschil tussen een geslaagde en een mislukte bespuiting.
 
Hoe werkt Gewis
Het adviessysteem Gewis berekent aan de hand van de weersgegevens het meest optimale spuitmoment. Hiermee voorkomt u dat uw gewas schade oploopt door een bespuiting op het verkeerde moment. Omdat u kunt spuiten op het meest geschikte moment, kunt u in veel gevallen ook een lagere dosering aanhouden. U bespaart dus middel en het risico op gewasschade neemt af.
Weerstation
Het Gewis-programma maakt gebruik van gegevens die verkregen worden via een weerstation in de regio. Deze worden via internet van het weerstation opgehaald. Het weerstation meet continu het microklimaat in het gewas en registreert de waarden per uur. Gewas- en bodemtemperatuur, luchtGewis in vollegrondsgroente vochtigheid in het gewas, neerslag en windsnelheid in de afgelopen dagen zijn van grote invloed op de toestand van de plant tijdens het spuiten (mate van afharding, blad droog of nat, groeisnelheid etc.). Gewis verwerkt deze gegevens bij het bepalen van het advies.
Weersverwachting
Gewis is gekoppeld aan het landbouwweerbericht voor de regio. Met deze gegevens wordt een inschatting gemaakt of ook na de bespuiting aan de weersvoorwaarden voor een effectieve toepassing van het middel wordt voldaan. Denk hierbij aan een buitje na toepassing van een bodemherbicide, groeizaam weer in de dagen na toepassing van een groeistof, of voldoende hechting bij toepassing van een contactfungicide.
Effect van een bespuiting
Wat de ideale omstandigheden voor een bespuiting zijn, wordt bepaald door allerlei specifieke eigenschappen van het middel: werkingsmechanisme, werkzame stof, formulering etc. Het gewisprogramma heeft een databank waarin alle eigenschappen van de bestrijdingsmiddelen zijn opgeslagen. Als u een bepaalde bespuiting wilt uitvoeren, kiest u het betreffende middel uit de lijst. Op basis van de weersgegevens berekent Gewis hoe die processen verlopen, dus wat het relatieve effect van de bespuiting is. Het effect van een werkzame stof wordt weergegeven in een grafiek over de periode van eergisteren t/m overmorgen. Per uur leest u af of de omstandigheden gunstig, gemiddeld of ongunstig zijn (zie voorbeeldgrafiek). Zo krijgt u op een eenvoudige wijze inzicht in de weersomstandigheden in relatie tot het bespuitingeffect. Bespuitingen onder ongunstige omstandigheden, met als gevolg een onvoldoende effect van het middel of zelfs gewasschade, kunt u zo vermijden.
Tips
Bij ‘groen’ spuiten: Probeer onder zo optimaal mogelijke omstandigheden te spuiten. Het programma Gewis geeft dit weer in een grafiek met de kleur groen. U kunt Gewis ook heel goed gebruiken als controle. Heeft u bepaalde bespuitingen gepland, kijk dan naar de Gewis adviezen en doe vervolgens (kleine) bijstellingen. Het programma werkt vaak ondersteunend op uw eigen gevoel en inschatting van de spuitomstandigheden.
Zelf beslissing nemen: Gewis geeft een advies voor het juiste spuitmoment. Het is natuurlijk aan uzelf om daar gepast mee om te gaan. Sommige bespuitingen dulden geen uitstel vanwege bijvoorbeeld de onkruidsituatie. Daarnaast moet de bespuiting wel passen in uw werkplanning.
Middelenkeuze: Onder specifieke weersomstandigheden kunnen middelen, die normaal niet de eerste voorkeur hebben, wel eens beter geschikt zijn. Als een middel dat u bij voorkeur gebruikt volgens Gewis maar matig effectief is, kijk dan eens naar de adviezen voor alternatieve middelen.
Terugkijken: Met Gewis kunt u terugkijken op al gedane bespuitingen. Door een goed of slecht resultaat te koppelen aan de beoordeling van Gewis kunt u op dit gebied veel kennis opdoen. Gewis stelt u in staat om gemakkelijker af te stappen van uw vaste gewoontes. Het programma zal u leren dat bepaalde vuistregels (bijvoorbeeld dat het beter is om ‘s avonds te spuiten) lang niet altijd opgaan en zeker niet voor alle middelen gelden.
 
Bron: Agrovision
 
 

 

jan. 2011

 

Telers van bloemkool en broccoli hebben het wellicht op hun eigen percelen gezien en van anderen vernomen. De koolgalmug was dit jaar volop aanwezig in Noord-Holland. In de koolproeven waarbij gekeken is naar een effectieve bestrijding tegen koolgalmug was 75 tot 100% van de onbehandelde velden aangetast. Dit geeft aan dat de koolgalmug een behoorlijk probleem oplevert. Tijd om het insect eens onder de loep te nemen.

De koolgalmug(contarinia nasturtii) is een kleine, bruine mug welke moeilijk te onderscheiden is van andere kleine mugjes. De koolgalmug wordt doorgaans al in mei/juni gesignaleerd wanneer deze, na overwintering in de grond, uit de poppen komen. Nadat dit moment is geweest is het oppassen geblazen. Aangezien de levensduur van een koolgalmug kort is (3-5 dagen) zoeken deze zo snel mogelijk naar een geschikte partner om te paren. Na het paren leggen de koolgalmugvrouwtjes elk wel zo’n 100 eieren in clusters van 2 tot 50 eieren bij de hartjes van de planten. Uit deze eieren komen larven welke zich voeden aan de basis van de hartbladeren. Tijdens het vreten, produceren de larven een stofje die giftig is voor de koolplanten en het plantweefsel afbreekt. Dit resulteert in gezwollen plantweefsel, abnormale groei en bruin kurkachtig wondweefsel, kenmerkend voor de koolgalmug. Hierdoor worden de sapstromen van de plant verstoord zich uitende in harteloosheid, draaihartigheid, dubbele schermen en vorming van zijscheuten. De levenscyclus van de koolgalmug is 24 -31 dagen afhankelijk van het weer en de kwaliteit van de gastheer(plant). Bij stil en warm weer is de koolgalmug het actiefst. Onder 15oC is de koolgalmug weinig actief. Aangezien de koolgalmug van mei/juni tot augustus/september actief is, kan gerekend worden op zo’n 3 - 5 generaties per jaar. De koolgalmug kan veel schade geven aan jonge koolplanten doordat het groeipunt verloren gaat. Koolsoorten als sluitkool en spruitkool zijn later in het seizoen te groot voor de koolgalmug om veel schade aan te richten. In bloemkool en broccoli kunnen de larven echter het scherm of de bloemkool nog vlak voor de oogst waardeloos maken.

De vraag is dan wat er mogelijk is om de schade door koolgalmug te voorkomen/beperken. In 2008 en 2009 zijn in opdracht van de landelijke gewascommissie broccoli via het Productschap Tuinbouw door Proeftuin Zwaagdijk de mogelijkheden onderzocht van met name gewasbespuitingen om de koolgalmug (Contarinia nasturtii) te bestrijden. Met Gaucho, maar nog beter met Admire als trayplaatbehandeling voor het uitplanten, wordt een goede basis in de bestrijding van koolgalmug gelegd. De bescherming van Gaucho/Admire hangt af van groeiomstandigheden, wanneer in de teelt de vlucht is en hoe zwaar de koolgalmug druk is. In de praktijk is echter de ervaring dat ook als er aanvullende bespuitingen worden uitgevoerd er nog steeds onaanvaardbaar veel uitval door koolgalmug kan zijn. Het lastige is het goed plannen van de bespuitingen. Daarom wil Proeftuin Zwaagdijk samen met telers onderzoeken of het spuiten aan de hand van signalering van de koolgalmug op vangplaten de effectiviteit van de bespuitingen verbeterd. Ook als er wellicht een nieuw sterk middel op de markt komt is het zaak de bespuitingen tegen koolgalmug goed te plannen.

 

 

 

 

 

 

In de CTGb vergadering van 7 januari 2011 is besloten om de Admire in de teelt van spruitkool, bloemkool en broccoli toe te laten. De toelating is een tijdelijke via de procedure van een dringend vereiste gewasbeschermingsmiddel.

In spruitkool is Admire een oplossing voor het knelpunt witte vlieg. In broccoli en bloemkool betreft het een oplossing voor het knelpunt koolgalmug.

Admire is uitsluitend toegestaan als insectenbestrijdingsmiddel met maximaal 1 toepassing per teelt.

In de teelt van broccoli en bloemkool betreft het een toelating als traybehandeling vóór het planten vanaf 1 maart 2011 tot en met 31 juli 2011 of toegepast door middel van de phytodrip-techniek vanaf 1 februari 2011 tot en met 30 juni 2011.

Het is niet toegestaan in één teelt of teeltseizoen zowel Gaucho Tuinbouw (zaadbehandeling of dummypil) als Admire (traybehandeling of phytodriptechniek) toe te passen.

Het middel mag worden toegepast als traybehandeling vóór het planten, dan wel een phytodripbehandeling, met dien verstande dat maximaal 40.000 planten per hectare mogen worden geplant. De traybehandeling is uitsluitend toegestaan op een niet doorlatende ondergrond die niet afwatert op oppervlaktewater of in kassen met een volledig gesloten recirculatiesysteem.

Nadrukkelijk wordt de sector gevraagd om alternatieve of reguliere oplossingen voor het knelpunt te zoeken. De DVG procedure is na seizoen 2011 waarschijnlijk niet meer mogelijk.

De tijdelijke toelating van Admire is gerealiseerd door inspanning van de LTO middelencoördinator i.s.m. de werkgroep effectief middelenpakket. De middelencoördinator wordt met sectorgeld gefinancierd via het Productschap Tuinbouw

 

 

 

 

 

 

We hoeven er niet van te schrikken dat we in de koolgebieden te maken hebben met bietencysteaaltjes. Ze zijn er al vele tientallen jaren. In het verleden hebben we ze hardhandig aangepakt. Maar desondanks zijn ze er nog steeds. Inmiddels hebben we wel geleerd dat we ze niet koste wat het kost moeten bestrijden. U kunt er slim mee leren omgaan. Grondontsmetting en granulaten zijn immers duur en milieubelastend.

 

 

Het witte bietencysteaaltje veroorzaakt schade in kool en in (suiker-)­ bieten. In kool is er veel minder onderzoek gedaan naar de schadelijkheid van bietencysteaaltjes dan in suikerbieten. Bij suikerbieten ligt de schadedrempel op 300 eieren en larven (e+l)­ per 100 ml grond. Voor kool ligt die schadedrempel aanzienlijk hoger. Bij spruitkool is gebleken dat de schadedrempel in de buurt van 700 e+l/100 ml grond ligt. Pas bij een populatie groter dan 1500 e+l/100 ml grond, is bestrijding met granulaat rendabel. Bij sluitkool ligt dit niveau nog hoger. Schade bij bloemkool en broccoli kan zich voordoen in te nauwe rotaties.

Streef naar laag niveau

Dat de schadedrempel in kool hoog ligt, wil niet zeggen dat bietencysteaaltjes geen aandacht vragen. Na de teelt van een gevoelig gewas ligt de populatie bietencysteaaltjes vaak boven de 5000 e+l/100 ml grond. In een bouwplan met veel waardplanten moet u er dus alles aan doen om in de jaren tussen twee gevoelige gewassen de populatie te laten dalen. Streef minimaal naar een niveau lager dan 1000 e+l/100 ml grond, kort voor aanvang van de teelt.

 

 

U kunt de aaltjes beheersen door te zorgen dat de populatie tijdens de teelt van een waardgewas niet te veel stijgt. Op dit moment lukt dit alleen nog maar bij suikerbieten. Hebt u als koolteler ook bieten in uw bouwplan dan kunt u de rassen ‘Paulina’, ‘Pauletta’ of ‘Annalisa’ gebruiken. Deze rassen zijn minder gevoelig voor bietencysteaaltjes en geven ook nog eens weinig vermeerdering. Teelt u alleen kool, dan kan de aaltjespopulatie alleen beheerst worden door de grond uit te laten zieken. U kunt bijvoorbeeld grond ruilen of huren in uw omgeving. Zo kunt u minder vaak met kool terugkomen op hetzelfde perceel. Er zijn altijd wel akkerbouwers bij u in de buurt die graag grond ruilen voor (poot)­aardappelen, uien, peen, bloembollen, e.d. Zowel voor u als voor de akkerbouwer is er vaak een win-win situatie te realiseren. Wie met een open vizier de polder in kijkt, ziet in zijn eigen omgeving hiervoor vast nog wel mogelijkheden. Kan uw bouwplan niet ruimer, maak dan gebruik van aaltjesresistente groenbemesters. Zaai na een vroeg ruimend gewas resistente gele mosterd of bladrammenas in. Ook hierdoor neemt de aaltjespopulatie af.

 

 

- Granulaten

Granulaten, zoals Vydate, beperken schade door aaltjes, maar bestrijden deze niet. Door de verlammende werking vertragen ze de vermeerdering van bietencysteaaltjes, waardoor de plant zich bij de start vlotter kan ontwikkelen. Tijdens de tweede helft van de teelt nemen de aaltjes toch weer snel toe, waardoor aan het einde van de teelt de populatie aaltjes weer vrijwel net zo groot is als zonder toepassing van granulaten.

- Groenbemesters

Zaai resistente groenbemesters zo vroeg mogelijk. Aaltjes worden door de stoffen die de wortels uitscheiden gelokt, maar kunnen zich niet vermeerderen en sterven af. Hoe intensiever de bodemdoorworteld is en hoe actiever de aaltjes zijn, hoe meer aaltjes er sterven. De aaltjesactiviteit is vooral afhankelijk van de bodemtemperatuur.

- Rassenkeuze

Bij spruitkool bestaat de indruk dat het ene ras veel beter met een hoge aaltjespopulatie kan omgaan dan het andere. Dit geldt bijvoorbeeld voor het late ras ‘Esperal’. De verklaring hiervoor is dat ‘Esperal’ nog vrij veel groei doormaakt in herfst en winter, perioden waarin aaltjes niet actief zijn. Hebt u alleen de mogelijkheid om spruitkool te telen op een perceel met een hoge populatie bietencysteaaltjes, kies dan een dergelijk ras.

 

 

 

 

 

 

Kop er bij houden en doorzetten. De toelating van Movento in diverse vollegrondsgroentegewassen is eindelijk voor elkaar. Niet zonder slag of stoot maar wel met resultaat. De samenwerking tussen landelijke kerngroep spruiten, middelencoördinator en fabrikant is er een van jaren die nu tot dit tevredenstellende resultaat leiden. De toelating van Movento is een voorbeeld van het belang van een goede focus van LTO op effectieve inzet van de middelencoördinator en de benutting van Productschapgeld voor financiering van onderzoeken en coördinator.

Het is niet vaak dat een nieuwe stof wordt toegelaten zeker niet in de vollegrondsgroentesector. De geschiedenis van de toelating van Movento is er een van jaren. In het najaar van 2002 heeft de landelijke kerngroep spruiten van het huidige LTO Vollegrondsgroente.net op basis van grote problemen met witte vlieg een onderzoekswens geformuleerd waarin de zoektocht naar een goed middel tegen insecten werd gestart. In overleg tussen spruitentelers, LTO middelencoordinator en fabrikant Bayer zijn in 2003 en 2004 uitgebreide proeven weggelegd met financiering via het Productschap Tuinbouw. Op basis van deze onderzoeken is Movento dat toe nog als code in de onderzoeksrapportage is genoemd, aangewezen als effectief middel tegen witte vlieg.

Vervolgens is een dossier opgebouwd dat voldoende is om een toelating bij het ctgb te verkrijgen. De middelencoordinator heeft vanuit zijn expertise gezorgd voor de volledigheid van gewassen op het etiket. Van de zogenaamde extrapolatiemogelijkheden waarin resultaten van spruiten te kopieren zijn naar andere gewassen is zoveel mogelijk gebruik gemaakt waardoor nu ook gewassen als Chinese kool en paksoi op het toelatingsetiket staan. Bayer heeft als eigenaar van Movento allerlei studies waaronder residustudies uitgevoerd en gefinancierd. Uiteindelijk is er een hele verzameling aan onderzoeken en studies verzameld om een dossier te vormen die nu tot toelating leiden.

De toelating van Movento is een voorbeeld van de lange adem die nodig is om een toelating te realiseren. Snelheid en toelatingsbeleid zijn twee heel verschillende dingen. Contacten vasthouden met alle belanghebbenden en weten wat het einddoel is zijn erg belangrijk om tot resultaat te komen. Hier laat de toegevoegde waarde van de LTO middelencoordinator zich zien.

 

 

Miriam Breedeveld

 

Movento na veel inspanning toegelaten

 

Bron: duurzaamtelenbegintbijjou.nl

 

Tips

 

Beheersing

 

Hoge schadedrempel

 

Aaltjes in kool

 

Miriam Breedeveld

 

Tijdelijke toelating Admire in broccoli weer afgegeven

 

Jan de Lange; Proeftuin Zwaagdijk

 

Ziekten en plagen uitgelicht: Koolgalmug (contarinia nasturtii)

© alle rechten voorbehouden LTO vollegrondsgroente.net