Gewasinfo aardbeien
Duurzame methode doodt zowel aardbeimijt als plant parasitaire aaltjes
In de vermeerdering van aardbeiplanten, maar ook in de productieteelt kunnen plant parasitaire nematoden veel schade veroorzaken. Met schoon uitgangsmateriaal op aaltjesvrije grond wordt populatieopbouw voorkomen en inzet van chemische grondontsmettingsmiddelen sterk gereduceerd. Een CATT behandeling tegen aardbeimijt blijkt ook werkzaam te zijn tegen de plantparasitaire aaltjes P. penetrans en M. hapla. De vraag is of door een geoptimaliseerde CATT behandeling besmet plantmateriaal voldoende vrij kan worden gemaakt van deze nematoden.
Plantparasitaire nematoden
In eerder uitgevoerd onderzoek bleek een CATT (Controlled Atmosphere Temperature Treatment) behandeling voor een deel ook de aanwezige plant parasitaire aaltjes Pratylenchus penetrans en Meloidogyne hapla te kunnen doden. Nu wordt bij het aantreffen van M. hapla aaltjes en overschrijding van de keuringsnormen het plantmateriaal vernietigd. Een CATT behandeling die behalve aardbeimijt ook deze nematoden aanpakt heeft dan ook een grote meerwaarde. In 2009 en 2010 zijn bij Food & Biobased Research (FBR) in Wageningen een aantal CATT behandelingen van met nematoden besmet plantmateriaal uitgevoerd. Deze zijn vervolgens bij PPO in Lelystad beoordeeld op de mate van afdoding en het effect op plantvitaliteit. Duidelijk werd dat de standaard CATT behandeling (48 uur bij 35 °C en 50 % CO2) tegen aardbeimijt onvoldoende werkzaam is tegen de nematoden M. hapla en P. penetrans. Eind 2010 kwam naar voren dat in de laatste fase van de CATT behandeling een verdere verhoging naar 40 °C gewenst is om tot een voldoend hoge afdoding van het wortelknobbelaaltje M. hapla te komen. Deze laatste resultaten boden perspectief om een geoptimaliseerde CATT behandeling te realiseren. Dit is in samenwerking met de vermeerderingssector verenigd in Plantum NL in 2011 verder uitgewerkt. Hierbij is tevens de afdoding van aardbeimijt bepaald. Het onderzoek is mogelijk gemaakt en gefinancierd door Plantum NL, Ministerie van EL&I, Productschap Tuinbouw en Naktuinbouw.
Geoptimaliseerde CATT behandeling
Voor de optimalisering van de CATT behandeling is gebruik gemaakt van verschillende plantpartijtjes. Dit betrof Lambada, al dan niet besmet met het wortelknobbelaaltje M. hapla, Sonata besmet met het wortellesie aaltje P. penetrans, een partij gezonde Elsanta planten, Elsanta met een zware besmetting aardbeimijt en een gezonde partij van de doorbloeier Evi II. Bij FBR zijn deze partijtjes behandeld volgens een aangepaste CATT gedurende een kortere periode van in totaal 40 uur bij 50 % CO2 in plaats van 48 uur bij de standaard behandeling. Tijdens de behandeling gedurende 40 uur werd steeds gestart met een temperatuur van 35 °C. Vervolgens werd in de 2e fase de temperatuur gedurende 12, 16, 20, 24 of 28 uur opgevoerd naar 40 °C. Direct na behandeling zijn de planten gekoeld naar 4 °C.
Van de met aaltjes besmette plantpartijen zijn bij PPO wortelmonsters beoordeeld op doding na 6 weken incubatie in de mistkast. Tijdens de opkweek in de kas is op enkele tijdstippen de plantontwikkeling met een rapportcijfer visueel beoordeeld. De planten besmet met aardbeimijt zijn direct na de behandeling beoordeeld op afdoding via Berlese extractie en tevens na 5 weken opkweek in de kas om na te gaan of eventuele opbouw van een populatie mijten toch nog plaatsvindt.
Voor zowel de afdoding van de aanwezige aardbeimijten als het wortelknobbel aaltje M. hapla werden uitstekende resultaten behaald bij 20 uur 35 °C gevolgd door 20 uur 40 °C. Hierbij werd een afdoding van 100 % van de aardbeimijt en 99,7 % van M. hapla gerealiseerd. Afdoding van het wortellesie aaltje P. penetrans was conform eerdere resultaten minder hoog: bij 20 uur 40 °C was de afdoding 80 % en bij 28 uur 40 °C, 90 %. Het behandelde plantmateriaal bleef ruim voldoende vitaal om na uitplanten goed aan te slaan en weg te groeien. Er is wel verschil in plantreactie tussen plantpartijen geconstateerd.
Vervolgonderzoek
Het is wenselijk om het effect van het behandelde plantmateriaal ook verderop in de ‘aardbeiketen’ na te gaan. Gezien de zeer positieve resultaten is het voorstel om samen met de vermeerderaars in 2012 een opschalingsproef te realiseren. Hiervoor zijn 15-20 plantpartijtjes met verschillende herkomsten van de belangrijkste rassen benodigd die volgens de standaard CATT methode worden behandeld en volgens de nieuwe methode, naast een deel onbehandeld. Verder zal controle op afdoding van aardbeimijt en nematoden plaatsvinden. Behandeling zal medio maart 2012 plaatsvinden. Uitplanten gebeurt op de bedrijven zelf en in de kas bij PPO Lelystad. Een en ander zal op de vergadering van de Gewasgroep Aardbei van Plantum NL op 1 november a.s. worden besproken. Inmiddels is in de voorjaarvergadering van de Aardbeicommissie Naktuinbouw besloten om per 1 januari 2013 de CATT behandeling onder de Elite certificering te brengen. De wijze waarop borging plaatsvindt zal nader worden uitgewerkt. In enkele pilotproeven is gebleken dat een CATT behandeling ook voor andere toepassingen waaronder Q-organismen, perspectieven biedt en mogelijk verbreed kan worden naar andere product/insect of nematoden combinaties. Doordat geen chemicaliën nodig zijn voor de CATT behandeling is de kans op resistentieontwikkeling gering en is geen kostbare registratieprocedure vereist. Kortom er liggen volop kansen om samen met partners uit het bedrijfsleven verdere toepassingen van deze duurzame methode uit te werken en te implementeren.
Gijs van Kruistum & Hans Hoek, PPO Lelystad
Jan Verschoor, Food & Biobased Research Wageningen
Gewis in vollegrondsgroente
Gewis staat voor “Gewasbescherming En Weer Informatie Systeem”. Gewis is een computerprogramma dat u helpt het juiste spuitmoment te bepalen bij de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Er bestaat een sterke relatie tussen het weer en het effect van gewasbeschermingsmiddelen. De weersomstandigheden rondom het moment van de bespuiting bepalen het verschil tussen een geslaagde en een mislukte bespuiting.
Hoe werkt Gewis
Het adviessysteem Gewis berekent aan de hand van de weersgegevens het meest optimale spuitmoment. Hiermee voorkomt u dat uw gewas schade oploopt door een bespuiting op het verkeerde moment. Omdat u kunt spuiten op het meest geschikte moment, kunt u in veel gevallen ook een lagere dosering aanhouden. U bespaart dus middel en het risico op gewasschade neemt af.
Weerstation
Het Gewis-programma maakt gebruik van gegevens die verkregen worden via een weerstation in de regio. Deze worden via internet van het weerstation opgehaald. Het weerstation meet continu het microklimaat in het gewas en registreert de waarden per uur. Gewas- en bodemtemperatuur, luchtGewis in vollegrondsgroente vochtigheid in het gewas, neerslag en windsnelheid in de afgelopen dagen zijn van grote invloed op de toestand van de plant tijdens het spuiten (mate van afharding, blad droog of nat, groeisnelheid etc.). Gewis verwerkt deze gegevens bij het bepalen van het advies.
Weersverwachting
Gewis is gekoppeld aan het landbouwweerbericht voor de regio. Met deze gegevens wordt een inschatting gemaakt of ook na de bespuiting aan de weersvoorwaarden voor een effectieve toepassing van het middel wordt voldaan. Denk hierbij aan een buitje na toepassing van een bodemherbicide, groeizaam weer in de dagen na toepassing van een groeistof, of voldoende hechting bij toepassing van een contactfungicide.
Effect van een bespuiting
Wat de ideale omstandigheden voor een bespuiting zijn, wordt bepaald door allerlei specifieke eigenschappen van het middel: werkingsmechanisme, werkzame stof, formulering etc. Het gewisprogramma heeft een databank waarin alle eigenschappen van de bestrijdingsmiddelen zijn opgeslagen. Als u een bepaalde bespuiting wilt uitvoeren, kiest u het betreffende middel uit de lijst. Op basis van de weersgegevens berekent Gewis hoe die processen verlopen, dus wat het relatieve effect van de bespuiting is. Het effect van een werkzame stof wordt weergegeven in een grafiek over de periode van eergisteren t/m overmorgen. Per uur leest u af of de omstandigheden gunstig, gemiddeld of ongunstig zijn (zie voorbeeldgrafiek). Zo krijgt u op een eenvoudige wijze inzicht in de weersomstandigheden in relatie tot het bespuitingseffect. Bespuitingen onder ongunstige omstandigheden, met als gevolg een onvoldoende effect van het middel of zelfs gewasschade, kunt u zo vermijden.
Tips
Bij ‘groen’ spuiten: Probeer onder zo optimaal mogelijke omstandigheden te spuiten. Het programma Gewis geeft dit weer in een grafiek met de kleur groen. U kunt Gewis ook heel goed gebruiken als controle. Heeft u bepaalde bespuitingen gepland, kijk dan naar de Gewisadviezen en doe vervolgens (kleine) bijstellingen. Het programma werkt vaak ondersteunend op uw eigen gevoel en inschatting van de spuitomstandigheden.
Zelf beslissing nemen: Gewis geeft een advies voor het juiste spuitmoment. Het is natuurlijk aan uzelf om daar gepast mee om te gaan. Sommige bespuitingen dulden geen uitstel vanwege bijvoorbeeld de onkruidsituatie. Daarnaast moet de bespuiting wel passen in uw werkplanning.
Middelenkeuze: Onder specifieke weersomstandigheden kunnen middelen, die normaal niet de eerste voorkeur hebben, wel eens beter geschikt zijn. Als een middel dat u bij voorkeur gebruikt volgens Gewis maar matig effectief is, kijk dan eens naar de adviezen voor alternatieve middelen.
Terugkijken: Met Gewis kunt u terugkijken op al gedane bespuitingen. Door een goed of slecht resultaat te koppelen aan de beoordeling van Gewis kunt u op dit gebied veel kennis opdoen. Gewis stelt u in staat om gemakkelijker af te stappen van uw vaste gewoontes. Het programma zal u leren dat bepaalde vuistregels (bijvoorbeeld dat het beter is om ‘s avonds te spuiten) lang niet altijd opgaan en zeker niet voor alle middelen gelden.
Bron: Agrovision
Etiketuitbreiding Tracer tegen trips in bedekte teelt aardbei In de bedekte teelt van aardbeien, en een rijtje andere gewassen mag Tracer als gewasbeschermingsmiddel worden ingezet. Deze vereenvoudigde etiketuitbreiding is tot stand gekomen door goede samenwerking van de coördinatoren effectief middelenpakket voor de vollegrondsgroente en glastuinbouw en de toelatinghouder Dow Agrosciences, het Fonds Kleine Toepassingen en de Trustee Bijzondere Toelatingen. Door deze etiketuitbreiding is een lang gekoesterde wens van de sector, om Tracer ten behoeve van de bestrijding van trips en rups in een geintegreerde aanpak, beschikbaar te hebben, in vervulling gegaan. Hoe werkt Tracer
Tracer is al sinds 2004 toegelaten in de bedekte teelt van tomaat, paprika en komkommer. De werkzame stof spinosad wordt geproduceerd door een bodembacterie (Saccharopolyspora spinosa), die ook in de natuur voorkomt. Spinosad is dus van natuurlijke oorsprong en staat ook op de SKAL-lijst. Biologische telers van mogen het middel dus ook inzetten. Spinosad is werkzaam op insecten door middel van maag- en contactwerking. Gevoelige insecten zijn onder meer trips, rups, koolvlieg en mineervlieg. Doordat spinosad redelijk veilig is voor natuurlijke vijanden, past het goed in het geïntegreerde teeltsysteem. Ter voorkoming van resistentie is het belangrijk het middel na twee tot drie bespuitingen af te wisselen met middelen uit een andere chemische groep. Voor bijen en hommels geldt het advies deze pas weer te introduceren nadat de spuitvloeistof is opgedroogd. Lang gewacht op Tracer
Dat kleine teelten moeten soms lang wachten op nieuwe middelen. Een toelating voor een groenteteelt zijn door het ontwikkelen van een residupakket hoog. Voor een willekeurige kleine teelt kost dit al snel € 30.000,-. Toelatinghouders zijn marktpartijen die zich in eerste instantie richten op de grote teelten. Voor kleine teelten is het niet lonend gezien de hoge kosten en de beperkte omzet die hier tegenover staat. Gelukkig kan er door toelatinghouders en door de coördinatoren effectief middelenpakket een beroep worden gedaan op het Fonds Kleine Toepassingen. Om de vereenvoudigde etiketuitbreiding Tracer te verkrijgen, hebben beide partijen in nauwe samenwerking in 2004 en 2005 een beroep gedaan op dit Fonds. De vele benodigde residustudies worden worden bekostigd, alsmede de kosten voor het aanvragen en beoordelen van deze vereenvoudigde etiketuitbreiding door het Ctgb. Deze bedroegen ruim €25.000,- . Vanwege deze hoge kosten en het feit dat registratiecapaciteit bij toelatinghouders ook een schaars goed is, wordt bij een aanvraag geprobeerd zoveel mogelijk kleine gewassen met knelpunten in de aanvraag mee te nemen. Maar residustudies en rapportage kosten al snel twee jaar voor een gewas. In nauwe samenwerking met de toelatinghouder Dow Agrosciences is het Tracer dossier al in 2007 ingediend bij het Ctgb. Helaas moest de uitbreidingsaanvraag wachten op de herregistratie. Dit is eigenlijk een toetsingsmoment waarop het Ctgb het gehele etiket nogmaals tegen het licht houdt en beoordeeld of het nog voldoet aan de dan geldende criteria. Toelatingen voor kleine teelten vragen veel energie. Het economische belang van toelatingshouders is beperkt. Hierdoor wordt veel inspanning gevraagd van de sector. De middelencoördinator proberen om bestaande toelatingen met ondersteuning van Fonds Kleine Toepassingen zoveel mogelijk aan te passen zodat een uitbreiding naar kleine gewassen kan worden gemaakt. Een gestructureerde aanpak, doorzetten en geduld is noodzakelijk om succes te hebben in aanvraag van middelen voor kleine teelten. Input vanuit de sector is essentieel om de juiste knelpunten en prioriteiten te kunnen benoemen. Juist hier toont zich de kracht van een netwerk en een collectieve aanpak. De sector financiert dan ook de middelencoördinator via het Productschap Tuinbouw. Miriam Breedeveld
30 mei 2011
Aardbei demodag 2010- De Residu proef: Residubeheersing Het zijn in de praktijk niet alleen de wettelijke eisen m.b.t. residu beheersing maar vooral de eisen van de markt die de maximum toelaatbare grens en de hoeveelheid bepalen.
Gezien de huidige eisen van de markt is het van belang om kritisch te kijken naar mogelijkheden om de hoeveelheid residu op het eindproduct te verminderen. Hierbij moet niet alleen residubeheersing het doel zijn maar dient ook gekeken te worden naar de bescherming van het gewas tegen ziekten en plagen en het behoud van productie, kwaliteit en rendement van de teelt. Daarom is het noodzakelijk de mogelijkheden voor een residu arme teeltwijze te onderzoeken waarbij residubeheersing gekoppeld is aan gewasvitaliteit, productie en teeltrendement.
Met dit gedachtegoed is voor de Demodag van 2010 deze Residu proef ontstaan. Het doel is om door middel van toetsing en beoordeling van diverse gewasbeschermingstrategieën, kaders te kunnen scheppen voor teeltstrategieën waarin het residu op het eindproduct beheerst blijft met behoud van gewasvitaliteit, productie, kwaliteit en teeltresultaat
Hieruit is een proef ontstaan met de volgende behandelingen:
In deze behandeling worden geen insecticiden en fungiciden ingezet tijdens de teelt om de natuurlijke ziektedruk en mogelijke opbrengstdervingen vast te kunnen stellen. Deze planten hebben wel een behandeling met Paraat gehad.
Inzet van, in de aardbeienteelt toegelaten, insecticiden en fungiciden met als primair doel een optimale gewasvitaliteit, productie en kwaliteit te realiseren. Het schema is opgesteld door adviseurs van DLV Plant, Team Aardbeien.
Gewasbeschermingstrategie opgesteld door Bayer Crop Science waarbij aandacht voor Bio 1020, dat vóór aanvang van de teelt in de grond wordt ingewerkt, Attracker en Aliette. Doelstelling is een vitaal gewas met behoud van productie en kwaliteit te realiseren met zo beperkt mogelijk aantallen middelen en hoeveelheden residu.
Gewasbeschermingstrategie opgesteld door Syngenta. Doelstelling is experimenteren met het opmaken van een gewasbeschermingschema, waarmee men een inzicht verkrijgt, wat de gevolgen m.b.t. residuen en aantal middelen van een dergelijk schema zal zijn. Daarnaast is de insteek om met het schema een vitaal gewas met behoud van productie en kwaliteit te realiseren.
Gewasbeschermingstrategie opgesteld door Belchim. Doelstelling van deze strategie is bekijken of Vacciplant in een schema naast reguliere insecticiden en fungiciden, als middel een positieve werking zou kunnen hebben op de bestrijding van meeldauw en een dergelijk resultaat kan worden behaald waarbij het aantal residuen op het eindproduct verminderd, maar waarbij gewasvitaliteit, productie en kwaliteit behouden blijven
Gewasbeschermingstrategie opgesteld door Pronafit waarbij specifieke aandacht ligt bij de plant verstekende middelen Pro-Miral en Dist Oil en groeistimulator Liqweed, naast reguliere insecticiden en fungiciden. Doelstelling van deze strategie is het aantal residuen op het eindproduct te verminderen met behoud van gewasvitaliteit, productie en kwaliteit.
De residubepalingen laten zien dat een residu arme productie mogelijk is, maar men moet dan wel rekening houden met een mindere gewasvitaliteit en kwaliteit. Dit kan verbeterd worden door middelenkeuze en moment van toepassen aan te passen.
Een rendabele productieteelt van aardbeien zonder gewasbeschermingsmiddelen is in deze proef niet mogelijk gebleken. Onbehandeld laat een productiedaling van bijna 25% zien. Afhankelijk van wat de eisen zijn van de afnemende partij, is een strategie op te stellen om met specifieke inzet van de beschikbare middelen binnen deze eisen te blijven.
Te denken valt aan middelen met twee werkzame stoffen vooraan in de teelt inzetten.
Verder kijkend naar de afbraakcurves van de actieve stoffen, bepalen in welke volgorde deze middelen moeten worden ingezet. Indien mogelijk in de teelt het inzetten van alternatieven die geen effect hebben als zijnde residu.
De uitslagen van de residuanalyses laten zien dat de afbraak tot onder de detectiegrens lang duurt. Daaruit is te concluderen dat met het gebruik van chemische middelen lang en vrijwel altijd residu is aan te tonen. Daarmee is een residu-arme teelt wel te verwezenlijken, maar residu-vrij met behoud van kwaliteit en kwantiteit niet realiseerbaar is.
Gedurende de teelt werden de afzonderlijke objecten in het proefperceel beoordeeld op gewasontwikkeling, vitaliteit en ziekten/plagen. Daarnaast werden per object aardbeien ingestuurd voor residubepaling op eindproduct.
Verder ook niet onbelangrijk werd er gekeken naar de houdbaarheid. In deze bewaarproef werden de aardbeien van de verschillende behandelingen met elkaar vergeleken.
Het gehele verslag is hier na te lezen.
DLV plant
Actie Hollandse aardbeien
Het Nederlandse aardbeienseizoen staat voor de deur. Hollandse aardbeien zijn een supermooi en lekker product. U weet dat hoe langer een aardbei aan de plant kan rijpen des te lekkerder deze is. Je zou dus mogen verwachten dat supermarkten en groente- en fruitzaken - zodra het Nederlandse aardbeienseizoen start - overstappen op aardbeien van Nederlandse bodem.
De praktijk blijkt echter anders. Veel retail- en inkooporganisaties kiezen voor prijs en daarmee buitenlandse aardbeien. Die lijken weliswaar op aardbeien, maar hebben weinig geur of smaak. Daar zijn zowel consumenten als telers de dupe van.
Kennis over aardbeien
Hoe mooi zou het zijn als consumenten weer naar de herkomst van de aardbeien vragen en daarmee retailers er toe aanzetten voor Hollandse aardbeien te kiezen. Dit zou een enorme boost voor onze Nederlandse aardbeien betekenen. Het product is het meer dan waard. Net als jullie.
Dat kan echter alleen als het kennisniveau van consumenten groter is dan nu het geval is. Want veel consumenten weten niet meer waar hun voedsel vandaan komt; laat staan hoe en door wie het wordt geproduceerd. Dat geldt helaas ook voor aardbeien. Wil een consument weer naar Hollandse aardbeien durven vragen, dan moet eerst het basiskennisniveau omhoog.
Actie Hollandse aardbeien
Vandaar dat de landelijke kerngroep aardbeien in samenwerking met Imagro en onder leiding van aardbeienteler Marcel Dings uit Belfeld consumenten wil informeren over Hollandse aardbeien. Het plan is om het kennisniveau van consumenten op een leuke en aantrekkelijke manier te voeden. Zelfs zo dat de doelgroep deze kennis graag tentoonspreidt en deelt met anderen en uiteindelijk in de winkel weer gaat vragen naar Hollandse aardbeien. Deze actie is een vervolg van het gezondheidssymposium in 2010 waar de gezondheidsaspecten van aardbeien onder de aandacht zijn gebracht. De activiteiten van Imagro worden met telersgeld gefinancierd middels het Productschap Tuinbouw.
De doelgroep
De overall doelgroep is de ‘lichtgroene’ consument. Ofwel: degenen die al meer interesse in hun eten en de herkomst ervan hebben. Een belangrijke groep daarin zijn gezinnen met jonge kinderen. Vrouwen tussen 30 en 45 jaar zijn namelijk zeer actief op social media zoals Twitter. En de inkopen worden nog vaak gedaan door de vrouw.
Communicatiemiddelen
Het is kort dag; het seizoen is begonnen. Vandaar dat we de actie in twee delen opknippen.
In de eerst fase maken we vooral gebruik van digitale en social media-kanalen. Zo zal de website www.hollandseaardbeien.nl vanaf Pasen in de lucht zijn en zijn we gestart met het Twitter-account @aardbeiweetjes. Bekende koks en voedselrecensisten werpen zich op als ambassadeurs van de Hollandse aardbei. Dit in combinatie met free publicity.
Daarnaast moet je aardbeien vooral proeven. Daarom wordt de doelgroep ook getrakteerd op proeverijen bijvoorbeeld tijdens de Libelle-Zomerweek in mei. En wordt zij uitgenodigd voor open dagen bij deelnemende aardbeientelers. Op de website staat de agenda en meer informatie.
Fase 2
In de tweede fase volgt een volledige aanpak met onder andere herkenning op verpakking, QR codes, narrowcasting, een topsegment Hollandse Smaakaardbeien, game, mascotte, posters, een twitterende aardbeienplant en nog veel meer.
Gezien de korte termijn zijn we gestart met een klein aantal telers die daar ook financieel in geïnvesteerd hebben. Fase 2 moet een veel groter bereik onder consumenten realiseren. Dit willen we graag met een veel grotere groep telers oppakken. We komen hier bij jullie op terug.
Enthousiasme telers
Marcel Dings in Belfeld, Richard en Annet Kalter in IJsselmuiden, Rob Luijsterbrug in Heerle en Jan Robben in Oirschot zijn de aardbeientelers die direct betrokken zijn bij de eerste fase van deze actie. Het succes van deze actie staat of valt bij de betrokkenheid van aardbeientelers. Aardbeien met een gezicht en een verhaal hebben bij de consument meerwaarde. En voor die producten hebben ze een hogere prijs over. Het gezicht achter de aardbei zijn jullie. Het succes van deze actie wordt dus bepaald door het enthousiasme en de betrokkenheid van de telers. Hoe meer actieve telers hoe beter.
Kortom: vanaf Pasen start de actie Hollandse aardbeien. Komt dat zien en zegt het voort.
Innovaties in ’t kwadraat van start
In de KRW-pilot “Innovaties in ’t kwadraat” werken innovatieve bedrijven en telers samen aan een duurzamer teeltsysteem voor prei aardbeien. De bedrijven Koppert Biological Systems, WUR-PRI BV, DLV Plant BV, Clean Light BV, PG Kusters BV, Grenzeloos VOF, Aptiva S.A.R.L. brengen diverse innovatieve technieken in. De bedrijven gaan deze uitdaging aan samen met acht prei- en aardbeitelers in Brabant.
Belangrijke vragen die in de pilot aan de orde komen, zijn: Hoe kan het combineren van innovaties een maximaal effect geven? In hoeverre kunnen de innovaties elkaar versterken en samen de beoogde waterkwaliteit realiseren? En net zo belangrijk: Levert dat ook een kwalitatief goed product en besparingen op voor de telers?
Bij de toepassing van de innovatieve technieken wordt gewerkt volgens de stappen van geïntegreerde gewasbescherming:
1. Inzetten op preventie van ziekten en plagen en verhogen van de plantweerstand door te werken aan optimale conditie van bodem en gewas
2. Starten met goed waarnemen van de ziekte of plaag met nieuwe analysetechnieken.
3. Waar mogelijk inzetten van niet-chemische bestrijding van onkruid, ziekten en plagen
4. Chemisch ingrijpen indien nodig, met innovatieve spuittechniek met sterk verminderde input en emissie.
5. Zuiveren van waterreststromen die toch vervuild zijn geraakt, voordat lozing plaats vindt.
Innovatieve technieken die worden ingezet, zijn:
- Bodemschat, dat aan de hand van structuurelementen, bodemleven, humus en verkruimelbaarheid adviezen geeft om de grond duurzaam te verbeteren;
- De aaltjeswijzer, voor het herkennen van aaltjesschade en de beheersing daarvan;
- Antagonistische schimmels (met name Trianum);
- Biologische plaagbestrijding;
- UV-belichting ter bestrijding van schimmelziekten;
- Sensorgestuurde spuittechniek CDS, die doseert naar hoeveelheid en plaats;
- Kvik-Up mechanische wortelonkruidbestrijding.
In 2011 en 2012 zal de pilot gedurende het teeltseizoen lopen en kunnen telers komen kijken op de pilotbedrijven of de vorderingen volgen via vakbladen en websites van de partners.
CLM en DLV Plant begeleiden het project met ondersteuning van onder andere de waterschappen Brabantse Delta en De Dommel, de provincie Noord-Brabant, de ZLTO en Agentschap NL. Het project wordt financieel ondersteund vanuit het Innovatieprogramma Kaderrichtlijn Water.
Innovatie in het kwadraat
jan. 2011 Plantsensoren en modellering voor verdere optimalisering Aardbei onder glas Er is door team Onderzoek DLV Plant en Aardbei een onderzoek uitgevoerd, gefinancierd door het Productschap Tuinbouw in samenwerking met de landelijk kerngroep aardbei van LTO Vollegrondsgroente.net naar de mogelijkheden van sensoren en modellering. De uitkomsten van dit onderzoek tonen aan dat er nog wel degelijk verdere optimalisatie van de teelt van aardbeien onder glas mogelijk is. Binnen dit onderzoek is gekeken naar inzichten in de plantprocessen binnen de aardbeiteelt onder glas. Verder is onderzocht wat de positieve en negatieve invloeden zijn van verschillende klimaatinstellingen op de fotosynthese. Het onderzoek heeft op meerdere bedrijven plaats gevonden. Er is gekozen voor een continue monitoring op één bedrijf en voor een roulerende monitoring op alle andere, bij dit project betrokken, bedrijven. Voor de monitoring is gebruik gemaakt van een uitgebreide meetset, de klimaatcomputer gegevens en aanvullende gewasmetingen. De uitgebreide meetset is uitgerust met een aantal meetinstrumenten. Een ruimte- en bladtemperatuur meter gecombineerd met een relatieve luchtvochtigheidsmeter en een CO2 meter. De bladtemperatuurmeter betreft een infrarood (IR) temperatuur sensor. Daarnaast een Wetsensor die worteltemperatuur, EC en het vochtgehalte van het substraat meet. Dit instrument geeft inzicht in de waterhuishouding bij de wortels van het gewas. Een stengeldikte meter die gedurende de teelt het verloop van de dikte van de stengel weergeeft. En als laatste de plantvitaliteits meter of te wel de Plantivitymeter. Hiermee kan de fotosynthese van de plant worden weergegeven. Door deze metingen wordt goed inzicht verkregen. Daarnaast wordt een aantal gegevens berekend die van belang zijn voor verdere optimalisatie van de teelt. Aan de hand van de kastemperatuur en de RV kan er worden berekend bij welke temperatuur de RV 100% zal zijn (dauwpuntstemperatuur), dus waarbij het vocht in de lucht gaat condenseren. Indien de planttemperatuur onder de dauwpuntstemperatuur komt condenseert er vocht op het gewas. Dit geeft grote risico’s op Botrytis. Door deze factoren goed te sturen is er een winst te behalen in de teelt, minder gewasbescherming en minder productieverlies door aantasting van Botrytis. De planttemperatuur bepaald de dampdruk in de huidmondjes. De kastemperatuur en RV bepalen de dampdruk van de lucht rondom het blad. Het verschil bepaald de verdamping. Als de plant niet meer vocht via de wortels kan opnemen dan dat deze verdampt, zal de plant ter bescherming zijn huidmondjes sluiten, waardoor er minder CO2 kan worden opgenomen. Minder groei, minder opbrengst is dan het gevolg. Met de plantivitymeter kan de assimilatie worden berekend aan de hand van het rendement van de fotosynthese, de planttemperatuur en de concentratie CO2. Door deze factoren optimaal op elkaar af te stemmen is verder finetuning van de teelt mogelijk. Met behulp van de gegevens van de plantivity sensor kan de lichtbelasting of de plantenstress worden berekend. De waarde moet liggen tussen de 1 en 1,2. Als deze waarde zich langdurig boven de 1,2 bevindt gaat de plant hierop reageren. De plant beschermd zichzelf door bv fotosynthese systemen uit te schakelen. De overgebleven fotosynthese systemen moeten steeds harder gaan werken. De plant verkeerd dus in een stress situatie en presteert niet optimaal. Uiteindelijk kan het zo zijn dat het fotosynthese systeem deels wordt beschadigd tijdens deze dag. In de nacht kan het systeem zich weer herstellen, echter kent dit zijn grenzen. Te veel stress op een dag kan dus de productie voor de volgende dag negatief beïnvloeden. Stress voorkomen kan met name gedaan worden door voldoende en op de juiste momenten te schermen. Schermen relevant bij aardbei ?? Welke niveaus ? De plantemperatuur wordt gemeten door de IR camera. Met deze meting samen met die van de luchtvochtigheid en de kastemperatuur kan het dampdrukverschil worden berekend. De streefwaarde van dit dampdrukverschil (VPD) moet liggen tussen de 0,5 en 1,2 kPa. Beneden de 0,5 kPa kan de plant bijna niet verdampen en boven de 1,2 kPa gaat de verdamping sneller dan dat de plant vocht kan opnemen. Ter bescherming zal de plant zijn huidmondjes sluiten. Door het sluiten van de huidmondjes wordt de fotosynthese geremd omdat de plant minder CO2 kan opnemen. Door sturing van de luchtvochtigheid of kastemperatuur kan dit worden voorkomen. Erg algemeen, kun je dit concreter aangeven? Dit onderzoek geeft aan dat door een verbeterde sturing in de productieteelt van aardbeien een verdere optimalisatie van deze teelt kan worden bereikt. Dit is mogelijk omdat er een beter inzicht is verkregen in de plantreacties en plantfysiologische achtergronden op bepaalde teeltacties van o.a. klimaat, watergift en bemesting. Dit klimaatmonitoringssysteem dient als een waarschuwingssysteem ter voorkoming van stress. Het dient tevens als optimaliseringsinstrument om de teeltfactoren aan te passen en de productiviteit te verhogen. Er zijn vergelijkingen gemaakt tussen de verschillende klimaatcondities en plantreacties hierop. Door deze vergelijkingen verder uit te dragen onder andere telers, is sectorbreed een rendementsverhoging te realiseren. De productie kan worden verhoogd en kwaliteit kan worden verbeterd. Met het oog op de steeds stijgende kosten is het noodzakelijk om voldoende productie te realiseren om de kostprijs per kilogram product zo laag mogelijk te houden. Door het opstellen van een geoptimaliseerde klimaatstrategie levert het project een positieve bijdrage aan het bedrijfsrendement |